Hoe ik een 8,2 voor Nederlands haalde

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-23Sinds gisteren weet ik wat ik als lezer waard ben: 8,2 op de schaal van het College voor Toetsen en Examens (CvTE), die namens de overheid de eindexamens overziet. Het is geloof ik zo’n beetje de gemiddelde score van leraren Nederlands. Het is, zou je zeggen, een beetje laag voor iemand die van dat vak zijn beroep heeft gemaakt en al jarenlang oefent.

Daaruit kun je verschillende conclusies trekken, zoals dat ik eigenlijk niet geschikt ben voor mijn vak en beter druiven kan gaan pletten. Of dat er misschien toch iets mis is met de examens.

Mijn examen is geheel vrijwillig nagekeken door twee leraren die mijn examen gewoon meenamen in de grote stapel: Randy Middendorp (geen familie) trad op als eerste, en Herma van den Brand als tweede corrector. Ze gaven me ook inzicht in hun overleg. Ze waren in eerste instantie op nogal verschillende beoordelingen gekomen: Herma gaf niet meer dan een 7,8; maar na enig overleg kwamen ze – ondanks aanpassingen aan beide zijden in de beoordeling van individuele vragen gezamelijk uit op het punt dat ik dus voor dit jaar op mijn rapport heb – die acht plus.

Mismoedig

Dat er zo’n groot verschil – bijna een half punt – tussen twee leraren kan bestaan, geeft natuurlijk te denken. Het CvTE meldt voortdurend dat een heleboel klachten onterecht zijn omdat het nu eenmaal verschrikkelijk moeilijk is om een examen te maken dat objectief is. Dat is het voornaamste doel. Dat doel wordt dus niet gehaald.

Mijn waardering voor leraren neemt overigens enorm toe als ik hun onderlinge correspondentie lees: wat een enorm werk wordt er ieder jaar weer verzet. Wat een aandacht voor de kleinste details. En wat word je mismoedig van waar de examenmakers zulke plichtsgetrouwe mensen mee opzadelen!

Mannelijk lichaam

Een van de kwesties waar de leraren bijvoorbeeld over discussieerden was mijn antwoord op vraag 21 (ik kies die omdat hij relatief eenvoudig te begrijpen is zonder dat je de hele examentekst hoeft te lezen). Hier is de vraag:

Uit de teksten 1 en 2 blijken fundamenteel afwijkende visies op hoe de medische wereld omgaat met mannen- en vrouwenziektes. De argumentatie voor beide visies kan worden samengevat met gebruikmaking van onderstaand schema. Noteer de twee argumenten uit tekst 1 voor het aldaar ingenomen standpunt en noteer de argumentatie waarmee in tekst 2 het eerste argument van Van Creveld wordt weerlegd. Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord in totaal niet meer dan 60 woorden.

Dit is dus een vraag waarin je twee teksten moet vergelijken, maar de discussie tussen de leraren ging alleen over wat ik deed met de argumentatie uit ‘tekst 2’, een reactie van Simone van Saarloos op het artikel van Van Creveld:

Maar zijn claim dat de vrouw in medisch onderzoek wordt voorgetrokken, is ronduit onzin. Hij maakt zich kwaad over speciale afdelingen voor vrouwenziektes. Hij zal dan blij zijn om te horen dat iedere ‘neutrale’ afdeling, zoals die van hart- en vaatziekten, stiekem een heuse mannenafdeling is. Onlangs publiceerde NRC Handelsblad nog over een hoogleraar cardiologie die met moeite geld wist los te weken voor hartonderzoek onder vrouwen. Wat blijkt? Hartkwalen treffen vrouwen anders, maar daar is nooit onderzoek naar gedaan. Het mannelijk lichaam is altijd de norm geweest

Onderbouwing

In het in de vraag genoemde ‘schema’ moet je hier een ‘weerlegging’ aanwijzen en een ‘onderbouwing’. De ‘weerlegging’ is (natuurlijk) dat iedere ‘neutrale’ afdeling in het ziekenhuis feitelijk een mannenafdeling is. Wat is daarvan nu de ‘onderbouwing’?

Volgens het correctievoorschrift (‘cv’ noemen leraren dat, zo weet ik nu) moet je antwoorden: ‘bij veel onderzoek zijn mannen de norm.’ Ik had gezegd: ‘Naar de manier waarop vrouwen door hartkwalen worden getroffen is nooit onderzoek gedaan.’ Maar dat is dus fout, volgens het cv.

Het probleem lijkt mij dat in Van Saarloos het hyperbolisch heeft over iedere afdeling in het ziekenhuis (dus ook die waar je amandeltjes worden geknipt) en dat in een moeite door preciseert tot ‘de afdeling hart- en vaatziekten’.  Vervolgens werkt ze haar ‘onderbouwing’ verder uit voor dat concrete voorbeeld. Op de een of andere manier trekken de examenmakers uit dat voorbeeld de conclusie dat dit alles geldt voor ‘veel onderzoek’. Maar dat zegt Van Saarloos niet! En bovendien: als ze dat wel zou zeggen, zou het geen afdoende ‘onderbouwing’ zijn voor haar bewering dat ‘iedere afdeling’ getroffen wordt – er is nogal een verschil tussen veel onderzoek en iedere afdeling.

Pervers

Ik koos een wat andere route en besloot dat haar bewering ging over die hart- en vaatziekten, en de onderbouwing dus ook. Dat ligt ook niet helemaal lekker, maar naar mijn idee komt dat vooral doordat Van Saarloos’ redenering niet in zo’n schema past, met het elegante draaitje dat ze maakt van een algemene bewering naar een concreet voorbeeld.

Dat moet je de auteur niet aanrekenen: zo zitten redeneringen nu eenmaal in elkaar. De leraren kun je ook niet aanrekenen dat ze alleen het correctievoorschrift als norm gebruiken. Het laat vooral zien hoe pervers de wereld van het eindexamen in elkaar zit. Hoe naar dat tienduizenden scholieren en duizenden leraren ieder jaar zich weer uitvoerig over dit soort wereldvreemde subtiliteiten moeten buigen.

Het voornaamste probleem blijft: dat dit over heel kleine interpretatieverschillen gaat in een examen waarin lees- en argumentatievaardigheid wordt getoetst. Maar dat je bij de correcte beantwoording nooit gebruik kunt maken van je argumentatievaardigheden, maar alleen de kronkels van de examenmakers mag volgen. Met in totaal niet meer dan 60 woorden.

Aanstaande maandag is de herkansing.