Helen de Hoop: Leve taal!

Door Helen de Hoop

De studenten zaten al te wachten toen ik het lokaal binnenkwam. Terwijl ik mijn powerpointpresentatie installeerde, kwam een van hen naar me toe om te vragen of ik het ook over dyslexie zou gaan hebben. Ik moest haar teleurstellen. Ik had maar twee uur en mij was gevraagd een college te geven over taalwetenschap en dus had ik keuzes moeten maken. Sowieso voelde ik me enigszins een vreemde eend in de bijt, want de collegereeks was getiteld ‘De bètacanon’ en in de andere colleges werden vrij specifieke onderwerpen behandeld, zoals de atoombom, Newton, Einstein, het periodiek systeem en de annuïteitenhypotheek.

Ik had mijn college Leve taal! genoemd, zodat ik het over een van mijn favoriete onderwerpen kon hebben: animacy (levendheid, bezieling). In de zin De man heeft Piet naar de kelder gebracht wordt de man automatisch geïnterpreteerd als het onderwerp, maar in de vergelijkbare zin Het lijk heeft Piet naar de kelder gebracht wordt Piet begrepen als het onderwerp. Lange tijd is gedacht dat de betekenis van een zin tot stand komt als een eenvoudige optelsom van de betekenis van de woorden plus de structuur van de zin. Dat lijkt zó eenvoudig dat een computer het zou moeten kunnen. Maar computers kunnen het nog steeds niet. Terwijl hij in de zin Hij ligt op tafel net zo goed naar je bril kan verwijzen als naar je man, kan hun in Hun liggen op tafel niet naar je sleutels verwijzen, maar alleen naar mensen (of katten). In de zinnen Jan draagt de koffer. Hij is moe verwijst hij naar Jan, maar in het bijna identieke zinnenpaar Jan draagt de koffer. Hij is zwaar verwijst hij naar de koffer. Ook roept de zin De soep kookt een compleet ander beeld op dan De chef kookt. En als we het levende object in De man bijt de vrouw of De vrouw slaat de man vervangen door een niet-levend object, moeten we ineens een voorzetsel toevoegen: De man bijt in de appel en De vrouw slaat tegen het kopje. Als we dat niet doen, zouden de toehoorders waarschijnlijk medelijden krijgen met de appel en het kopje, omdat die dan lijken te leven.

De week voor ik het college moest geven, had ik (toevallig) nog geluncht met de docent van het college over Newton en hij had me verteld dat het een leuke groep studenten was, maar dat ik vooral niet moest rekenen op interactie. Vandaar dat ik een presentatie van ruim veertig dia’s had gemaakt. Ik zou vertellen over de rol van animacy bij naamvallen in de talen van de wereld en over de effecten van animacy op oogbewegingen en hersenactiviteit. Ook wilde ik vertellen over het taalgebruik van een niet-levende verteller, een schilderij, in de roman Specht en zoon van Willem Jan Otten. En natuurlijk wilde ik de studenten de eerste resultaten niet onthouden van ons experiment met animatiefilmpjes waarin geometrische figuurtjes al dan niet oogjes hebben (wat een verbluffend effect blijkt te hebben op hoe er achteraf over die figuren gepraat wordt door de proefpersonen). Maar… het pakte anders uit.

Direct al naar aanleiding van de eerste paar dia’s ontstond er een levendige discussie. Nog nooit had ik studenten gehad die zo gretig van alles en nog wat wilden weten. Voor de pauze kwam ik niet verder dan de eerste paar dia’s. In de pauze had ik nauwelijks tijd om koffie te drinken. Ik raakte in gesprek met een paar studenten, die mij vertelden dat ze sinds kort ‘taalmaatje’ waren van een Syrische vluchteling. Dat had ze aan het denken gezet over hun eigen taal, waarbij ze steeds opnieuw tot allerlei verrassende ontdekkingen kwamen over het Nederlands, waar ze nooit eerder over nagedacht hadden. Ze hadden er enorm veel plezier in. We vergaten de tijd, tot een andere student ons kwam waarschuwen dat het tijd was voor de tweede helft van het college. Iedereen leek er zin in te hebben.

Kwam het door deze specifieke groep HOVO-studenten (Hoger Onderwijs voor Ouderen)? Niemand kwam te laat, slechts een enkeling viel in slaap en ze vroegen me de oren van het hoofd. Nee, ik denk dat het door het onderwerp kwam, de Nederlandse taal. Aan de lopende band droegen ze zelf nieuwe voorbeelden aan en kwamen met verrassende observaties op de proppen. Zie ik nog toekomst voor de neerlandistiek over 25 jaar? Ja zeker. Zo lang er maar in het onderwijs (óók in het hoger onderwijs) in het Nederlands over het Nederlands kan worden gesproken. Nadenken over je eigen taal is altijd leuk en inspirerend. Leve taal!