Etymologie: wankel

Door Michiel de Vaan

wankel bn. ‘niet vast, zwenkend’

wankelen ww. ‘onvast gaan’

Oudnederlands uuankilheide ‘onstandvastigheid’ (901–1000); Middelnederlands wankel ‘onstandvastig’ (1285), ‘zwak, onbetrouwbaar, onzeker’ (1373), wankelen ww. ‘wankelen; onvast staan, twijfelen’ en ‘doen wankelen’ (1240), wankelheit zn. (1401–1410), wankelmoet ‘onstandvastigheid’ (ca. 1400); Nnl. wanckel (1551) ‘onvast staand of gaand; veranderlijk, onzeker’ (1551); wanckelen ww. (1516), wanckelmoedig (1564), wankelmoedigheit (1642), wankelmoed (1649).

Verwante vormen: Oudsaksisch wankul, Mnd. wankel bn., wankelen ww.; Oudhoogduits wankal bn., wankalōn ww.; Oudengels wancol ‘wankel’.

Uit Proto-Germaans bn. *wankula- ‘onvast, zwenkend’. Afgeleid van het ww. *wankōn ‘rondzwerven’ dat we nog in Middelnederlands wanken ‘wankelen, doen wankelen’ vinden, met verwante vormen in Oudsaksisch wankon, Mnd. wanken ‘zwerven, rondgaan’, Ohd. wankōn, Nhd. wanken ‘wankelen, besluiteloos zijn’, OIJs. vakka ‘rondzwerven’. Van PGm. *wank- is ook afgeleid Ned. wenken (zie daar voor mogelijke verwanten buiten het Germaans); met PGm. *wink- zijn daarnaast werkwoorden verwant als Oudnl. wincon ‘wankelen, uitwijken’, Nnl. winken ‘een teken geven, wenken’ en Duits winken ‘wenken’.

Er bestond ook een variant van deze wortel met een intiële s-. Daarvan getuigen het bn. PGm. *swanka- ‘buigzaam’ > Mnl. en Vroegnnl. swanc ‘buigzaam, krachtig’, Nhd. schwank ‘buigzaam, beweeglijk, slap; slank’; en het ww. Mnl. swanken ‘heen en weer gaan, wankelen’, Vnnl. swancken ‘wankelen’, Nhd. schwanken ‘aarzelen’, Nnl. zwankelen ‘waggelen, zwalken’; zie voor verdere verwantschap onder zwenken.

 

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.