Deze appel is roder dan die andere

Door Marc van Oostendorp

Galileo Galilei onderscheidde al twee soorten bijvoeglijk naamwoorden. Sommige geven een absolute waarde aan; in het Nederlands is zwanger daar het spreekwoordelijke voorbeeld van (‘je kunt niet een beetje zwanger zijn’). Andere kun je op een schaal zetten: je kunt wel ‘een beetje groot’ zijn, zoals je trouwens ook groter kunt zijn dan iemand anders, en niet zwangerder.

Maar dat soort ‘geschaalde’ bijvoeglijk naamwoorden kun je nog verder opdelen, zeggen de semantici Nat Hansen en Emmanuel Chemla in een nieuw artikel in het tijdschrift Linguistics and Philosophy. Je hebt bijvoeglijk naamwoorden als groot die relatief zijn. Als Wouter groter is dan Joop, betekent dat niet dat Wouter ook in absolute zin groot is. Vergeleken met de meeste andere mannen is hij misschien maar een miezerig mannetje. Daarnaast heb je bijvoeglijk naamwoorden als ziek: als Wouter zieker is dan Joop, dan is Wouter zeker ziek, en Joop trouwens ook. 

Appel

Bijvoeglijk naamwoorden als ziek hebben een ondergrens: daaronder ben je eenvoudig niet meer ziek, onder geen enkele omstandigheid. Groot heeft zo’n ondergrens niet: hoe klein je ook bent, je kunt altijd nog groot zijn in vergelijking met iets anders.

Het artikel van Hansen en Chemla gaat over de vraag waar kleurnamen in deze onderverdeling staan. Ze doen daar een experiment over, maar volgens mij is het antwoord daarop met enig nadenken ook zo te construeren: de ene appel kan groener zijn dan de ander, en dus is er in ieder geval sprake van een schaal. Bovendien: als de ene appel inderdaad groener is dan de ander, is hij hoe dan ook groen. Dus lijkt groen meer op ziek dan op groot.

Roder

Nu is er met de schaalbaarheid van kleuren nog iets aan de hand: er zijn twee manieren waarop je roder kunt zijn: doordat je kleur dichter ligt bij het prototypische rood (een kwalitatieve schaal) óf doordat een groter deel van je oppervlak rood gekleurd is (een kwantitatieve schaal):

 Met name bij de kwantitatieve schaal deden zich tijdens het experiment wel eigenaardigheden voor. Wanneer proefpersonen bijvoorbeeld het tweede en het derde bolletje voorgeschoteld kregen en moesten zeggen welke ‘roder’ was, weigerden ze dat meestal te beantwoorden. Meestal wilden ze alleen een keuze maken als minstens een van de extremen werd aangeboden (helemaal rood of helemaal niet rood).

Maar er waren ook allerlei verschillen in hoe proefpersonen in het experiment zich gedroegen, welke maat van roodheid ze precies leken te hanteren, en wanneer ze vonden dat iets roods genoeg was. Een eigenaardigheid van semantici als Hansen en Chemla, of in ieder geval een manier waarop semantici verschillen van de meeste andere taalkundigen, is dat ze zoiets in de conclusie van hun artikel niet begrijpen als een teken dat mensen kennelijk verschillende vormen van betekenis hebben. Nee, ze gaan ervan uit dat alle mensen hetzelfde semantische systeem hanteren, maar dat het zo ingewikkeld is dat in een experiment mensen geen eenduidig antwoord kunnen geven. Hoe dat systeem eruit ziet, weten we overigens nog niet.