De keukenhandschoenen van Gerrit Kouwenaar

Door Marc van Oostendorp

Gerrit Kouwenaar genoot er aan het eind van zijn leven nog van als collega-dichters ruzie met hem maakten. In haar boek Een tuin in de winter beschrijft Anna Enquist hoe zij en de inmiddels wat dove en teruggetrokken Kouwenaar waren uitgenodigd bij Henk Bernlef thuis: “Vijf mensen aan tafel in een ruime kamer, dat moest akoestisch te doen zijn.”

Al snel kwam het gesprek op de poëzie. Kouwenaar zei “dat het gedicht over zichzelf ging, een ding was van taal, zonder enige verdere bedoeling.” Hij sprak, volgens Enquist, het woord troost uit “alsof het om iets heel ergs ging”. Terwijl Bernlef en Enquist erop wezen dat je je als dichter toch heus niet voor een beetje troost hoefde te schamen.  “Die avond” concludeert Enquist, “debatteerden we heftig over troost, niet beseffend dat we waarschijnlijk hartstochtelijk langs elkaar heen zaten te praten.”

De volgende ochtend voelden Bernlef en Enquist zich enigszins bezwaard. “Hebben we Gerrit te hard aangevallen? Het was twee tegen één, eigenlijk niet eerlijk.” Maar Kouwenaar blijkt daar niets van te weten: “Wat was dat fijn gisteren. Ik heb in geen jaren zo’n leuke avond gehad!”

Enquist concludeert dat Kouwenaar zich juist door de heftigheid van de discussie weer even een echte dichter onder de dichters had kunnen voelen – iemand die in de tegenstand juist voelde hoe hij serieus werd genomen.

Enquist komt in dit ontroerende boekje – een waardig monumentje voor de vriendschap, voor de poëzie en voor het leven – een paar keer terug op dit verschil tussen Kouwenaar en haar over wat poëzie eigenlijk is.

Voor Kouwenaar was een gedicht een ‘ding van taal’, waarbij hij leek uit te gaan van een Platonisch idee over wat die taal is – iets puurs en abstracts, iets dat niet rechtstreeks met onze wereld verbonden is, maar in een eigen domein op afstand van het gewoel. Volgens Enquist is taal echter “een vangnet om over onbeheersbare angst en wanhoop heen te leggen” en zijn woorden “die keukenhandschoenen die we nu eenmaal klaar hebben liggen”.

In zekere zin probeert Enquist met Een tuin in de winter én met haar gelijktijdig verschenen selectie uit Kouwenaars gedichten van woorden gemaakt te laten zien dat haar idee van taal toch ook voor haar oude vriend opging. Dat ook hij angst en wanhoop had te vangen, en dat hij misschien geen troost wilde bieden, maar toch zelf wel degelijk troost putte uit het maken, uit het samenvoegen van voorvoegsels en stammen, het wegen van de zin, het vijzelen van de assonanties.

Het biedt wel een verfrissende blik op het werk van Kouwenaar op, vind ik – even weg van het academische en het intellectuele dat hij zelf zo benadrukte, en dan laten zien dat al dat celebrale toch ook functioneert als een paar keukenhandschoenen:

de taal

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –