Hoe groot iemand is, hoor je aan zijn klinkers

Door Marc van Oostendorp

Als je nog een radio hebt, zet deze dan nu één seconde aan. Hopelijk klinkt er een sprekende stem. Aan die ene seconde heb je dan genoeg om je een beeld te vormen van de persoon die je hoort: zijn geslacht (of het hare natuurlijk), leeftijd, emotionele staat (woedend, enthousiast, neutraal), sociale en geografische herkomst. Er zit in het spraakgeluid dat wij de hele dag over elkaar uitstrooien enorm veel informatie verstopt. En hoewel we ons daar zelden van bewust zijn, zijn wij mensen heel goed in het razendsnel oppikken van al die informatie. Ook via onze oren vormen we ons razendsnel een beeld van de ander.

Hoe gaat dat precies in zijn werk?  Daarover gaat een artikel van de Amerikaanse taalkundige Santiago Barreda in het nieuwe nummer van het vakblad Journal of Phonetics.

Om er iets van te begrijpen is het nuttig om iets te weten van de klankstructuur van klinkers. Je maakt die door je stembanden te laten trillen; die creëren dan een rijke bundel geluid, die bestaat uit een basistoon en een groot aantal zogeheten boventonen. Met je mond – vooral je tong en je lippen – verander je die bundel vervolgens door sommige boventonen te versterken en andere juist te verzwakken. Daardoor ontstaan bepaalde deelbundels sterkere boventonen die ‘formanten’ worden genoemd. Uit de precieze relatieve hoogte van die boventonen met betrekking tot de grondtoon kan de luisteraar dan vervolgens afleiden welke klinker er precies wordt gezegd.

Een hele seconde

Alleen zit in die boventonen nog meer informatie. Niet iedere mond is natuurlijk precies hetzelfde als iedere andere, dus de vervormingen die Anna maakt met haar tong zijn net een beetje anders dan die van Onno. In het bijzonder kun je zo uit spraakgeluid een indruk krijgen van hoe lang iemands spraakkanaal is – de afstand tussen stembanden en de lucht buiten de lippen – en daarmee indirect een schatting van hoe groot de persoon is met wie je praat. Hoe kleiner, hoe hoger de boventonen.

Het zijn subtiele verschillen, maar Barreda laat – in navolging van eerdere onderzoekers – zien dat mensen ermee overweg kunnen. Wanneer ze a-klanken horen van twee verschillende sprekers, kunnen ze vrij nauwkeurig schatten wie van de twee het langste spraakkanaal heeft. Alleen bleek daarbij een groep sprekers soms ook in de war te kunnen worden gebracht. Wanneer Barreda ze zowel een a als een oe liet horen, dachten ze dat de u van een kleinere spreker kwam, ook al was de spreker feitelijk groter dan de a-zegger. De reden daarvoor is dat bij de oe een laag boventonen systematisch lager is dan bij de a. Deze sprekers konden die twee soorten informatie dus niet uit elkaar houden.

Het is een gebrek waar natuurlijk best mee te leven is, want je hebt er alleen last van als je moet beslissen wie je kiest als tegenstander in een gevecht op leven op dood en als basis alleen de uitspraak van één klinker hebt. Zodra iemand meer zegt – zodra je bijvoorbeeld de beschikking hebt over een hele seconde aan informatie, waarin de ander best een paar verschillende klinkers kan zeggen – krijgen ook de mensen die het in het experiment verkeerd deden, waarschijnlijk genoeg kans om een verbluffend slimme keuze te maken.