Etymologie: vergetel

Door Michiel de Vaan

vergetel bn. ‘vergeetachtig’

Middelnederlands vergetel ‘vergeetachtig’ (1284), Nnl. verghetel ‘vergeetachtig’, ook ‘vergetend’ (1588). In de schrijftaal nog maar zelden na 1700. Afleiding: onverghetel ‘niet te vergeten’ (1350-1450). Het bn. -getel komt met een ander voorvoegsel al voor in het Oudnederlandse zn. afgetali v. ‘vergeetachtigheid’ (Wachtendonckse Psalmen, 901–1000).

vergetelheid zn. ‘het vergeten zijn, het vergeten’

Mnl. vergetelheit ‘vergeetachtigheid’ (1351), Nnl. verghetelheijt (1510–1519) ‘vergeetachtigheid; het vergeten zijn/hebben/worden’.

Verwante vormen: Middelnederduits vorgetel ‘vergeetachtig’, Oudhoogduits abgezzal ‘vergeten’, āgezzal ‘vergeetachtig’, Oudengels forgytel ‘vergeetachtig’, andgetul, andgyttol ‘verstandig’, ofergitol, ofergeotol ‘vergeetachtig’; Oudnoors Sann-getall bijnaam van Odin, lett. ‘de waarheid vermoedend’.

Het Proto-Germaans bn. *getula- ‘pakkend, vattend’ is afgeleid van het ww. *getan ‘pakken’. De afleiding *fra-getula- ‘vergeetachtig’ veronderstelt het bestaan van het ww. *fra-getan waaruit vergeten stamt. Andere Nederlandse bn. op –el bij werkwoorden zijn bijv. schamel, kregel, vermetel, wankel.