De dichter en de Nederlandse Hitler

Door Marc van Oostendorp

“In het leven van Bertus Smit”, schrijft Willem Huberts als laatste zin in het nieuwste deeltje van de mede door hem uitgegeven Flanor-reeks, “weerspiegelt zich de twintigste eeuw.” De lezer heeft dan enkele tientallen bladzijden gelezen met zo ongeveer het merkwaardigste leven dat enige Nederlander in de vorige eeuw heeft gevoerd.

Aan het begin van het boekje vat Huberts het zelf als volgt samen:

In 1921 was hij directeur van het in Den Haag gevestigde ‘Holanda Esperanto Oficejo’. In 1929 was hij fascist. In 1931 was hij nationaalsocialist. In 1933 was hij antisemiet. In 1940 werd hij door de Duitse bezetter gearresteerd. In 1942 werd hij door een Duitse nazi-rechter ter dood veroordeeld. In 1943 trachtte hij lid te worden van de Nederlandsche SS, maar hij werd geweigerd. In mei 1945 maakte hij de bevrijding mee als gevangene in een Duits concentratiekamp. In 1947 was hij een Amerikaansgezind democraat en richtte hij de stichting Friends of America op. In 1973 was hij betrokken bij het actiecomité Nieuwmarktbuurt en streed hij tegen de aanleg van de Amsterdamse metro. In de jaren ’70 en ’80 genoot hij landelijke bekendheid als tekenaar van stedenschoon.


Ik schreef niet al te lang geleden trouwens al een keer over een van Smits in het Esperanto geschreven dichtbundels, waarop Huberts toen reageerde. Ik had er mijn verwondering over uitgesproken dat iemand vrij vlak na elkaar een Esperanto-dichter kon zijn en daarna een fascist, maar Huberts wees erop dat daar geen tegenstelling tussen zat.

Na lezing van dit boekje verbaast me die opmerking in zekere zin nog meer, want als Smits’ leven ergens uit bestond, dan was het wel een voortdurende tegenstelling. Vermoedelijk – of: mogelijk, je weet het in dit leven maar nooit –geboren als onechte zoon van een Duitse kardinaal van een adelijke familie bij een Nederlandse verpleegster, begaf hij zich inderdaad in de late jaren twintig en de vroege jaren dertig in de bizarre wereld van het Nederlandse fascisme – al was hij het soort fascist dat vanaf het begin niks lijkt te moeten hebben gehad van het mainstream-nationaal-socialisme van de NSB en in plaats daarvan zijn eigen bewegingen begon, zoals de NSNAP. En al werd hij in 1936 zelfs gearresteerd omdat hij een pamflet tegen het ‘bevriende staatshoofd’ Adolf Hitler probeerde te verkopen.

(Hij moet trouwens een redelijk beroemde nationaal-socialist zijn geweest; in Delpher vond ik bijvoorbeeld het volgende rijmpje uit de Bredasche Courant🙂

En in 1933 publiceerde de SDAP-krant Het volk op de voorpagina een foto van Smit, met als onderschrift:

Het boekje heeft De man van vele namen omdat Smit niet alleen regelmatig van ideologie of beroep (‘coupeur, schoenenverkoper, winkelbediende, propagandist, dichter, politiek activist, geschiedschrijver, handelsreiziger, vertaler, tekenaar en journalist’ somt Huberts op, en zegt dan: ‘de lijst is vast niet compleet’) wisselde, maar ook van naam (‘Bob Smit, Bob van Outvorst, Bob Smit van Outvorst en Adalbert Smit van Outvorst’ – en dat waren dan alleen maar de namen die hij rond de oorlog gebruikte).

Die vele namen lijken mij – psycholoog op de manier waarop Smit ook nog eens soms een gepromoveerd wetenschapper was – een soort sleutel tot dit leven, dat misschien wel voortdurend om identiteit draaide: een onecht kind met een stiefvader die nooit tegen hem sprak lijkt hij voortdurend op zoek te zijn naar wie hij eigenlijk was, en daarbij als een soort reële Zelig op allerlei plaatsen opgedoken te zijn, daarbij het ene idealisme na het andere aannemend, en het ene beroep na het andere, en, naar het uitkwam, adelijke en academische titels. Al die idealismes – van het Esperanto via het fascisme naar strijden tegen de metro op de Amsterdamse nieuwmarkt – moeten hem het gevoel hebben gegeven ergens bij te horen. En ergens bijhoren, daar leek hij voortdurend naar op zoek. 

Willem Huberts. Een man van vele namen. Bertus Smit 1897-1994. Nijmegen: Flanor, 2017. Bestelinformatie bij de uitgever.
Met Nederlandse taal- en letterkunde heeft het, toegegeven, niet veel te maken, maar de boog kan niet altijd gespannen zijn!