Voortbouwbaarheid voor iedereen

Door Marc van Oostendorp

Omdat ik tegenwoordig bredepublikoloog ben, mag ik af en toe aan deze of gene komen vertellen, wat voor een wezen het Brede Publiek precies is, en hoe je het kunt temmen.

Deze keer was ik uitgenodigd om iets te vertellen voor een groep aspirant-leraren. Dat bracht me even in verwarring, want van lesgeven weet ik dan weer niets. Je kunt me midden in de nacht wakker maken om eens een lekker feitje over stemhebbende fricatieven te twitteren, maar met didactiek heeft dat niet zoveel te maken.

Of toch wel?

Symposia en workshops

Je probeert in beide gevallen – bij het lesgeven en bij wetenschapscommunicatie – mensen te interesseren voor een vak, je probeert ervoor te zorgen dat ze nieuwe inzichten krijgen, en dat ze een aantal nieuwe feiten onthouden.

Maar er zijn wel verschillen. Om te zien wat die zijn moet je eigenlijk de drie belangrijkste soorten van communicatie over wetenschap op een rijtje zien, want ook het publiceren in wetenschappelijke tijdschriften of deelnemen aan symposia en workshops heeft natuurlijk alle drie deze doelen:

  • schrijven en lezingen geven voor vakgenoten (professionele communciatie)
  • les geven (didactiek)
  • spreken en schrijven voor het brede publiek (wetenschapscommunicatie)

Je stof

Het essentiële verschil zit volgens mij in het begrip voortbouwen. Goede professionele communicatie bouwt voort op alle kennis die de professionele lezer al heeft over het vak, en zorgt er bovendien voor dat alles glashelder en maximaal expliciet is, zodat de lezer er zelf ook weer gemakkelijk op kan voortbouwen.

Als je les geeft, valt er minder voort te bouwen op al bestaande kennis, maar je probeert al je stof wel zo te organiseren dat het publiek er in het vervolg wel op kan voortbouwen – bijvoorbeeld bij het volgende college.

Jargon

Maar als je aan wetenschapscommunicatie doet, is er geen sprake van voortbouwen. Je gaat niet uit van allerlei vakkennis bij dat publiek, en dat publiek is ook niet per se van plan om ooit nog iets aan verdieping of uitbreiding van deze kennis te doen. Het wil gewoon eenmalig worden ingelicht en een beetje vermaakt.

Allerlei verschillen tussen de drie vormen van communicatie vloeien voort uit dit verschil in voortbouwbaarheid. De verschillende rol die jargon heeft, bijvoorbeeld: in wetenschappelijk werk móét je dat gebruiken, want het is korter en preciezer en je mag ervan uitgaan dat de hoorder het kent. Tijdens college leg je het jargon uit. Maar in wetenschapscommunicatie doe je er niet aan, want de hoorder heeft er niets aan.

Gegrepen

Ook de verschillen in structuur van de verschillende genres volgen uit dit enige verschil. In wetenschappelijk werk begin je eerst je huidige bevindingen omstandig te plaatsen in de wetenschappelijke discussie, tijdens college leg je die wetenschappelijke discussie uit, en populair-wetenschappelijk werk gaat idealiter niet over die hele discussie, want die is maar nodeloos ingewikkeld: je legt de bevinding uit, dat is vaak al moeilijk genoeg en het publiek hoeft meestal niet te weten waarom er vroeger door geleerden anders over werd gedacht.

Natuurlijk lopen de genres in elkaar over. Het laatste college in een cursus sluit naadloos aan op een wetenschappelijk betoog. Het eerste college is bedoeld voor iedereen die gegrepen is door het voorafgaande populariserende betoog. Het zijn soortgelijke teksten voor soortgelijke mensen, met in essentie alleen het verschil in voortbouwbaarheid.