Toen de phonologie in de N.R.C. stond

Door Marc van Oostendorp

Ooit waren fonologen – ik ben een fonoloog, ik bestudeer de klanken van het Nederlands – de grote helden van de taalwetenschap. In de jaren twintig en dertig kon je als jonge ambitieuze taalkundige niets beter doen dan fonologie bestuderen. Dát was waar de nieuwe taalwetenschappelijke inzichten konden worden bestudeerd! Dát was waar alle groten van, bijvoorbeeld, de Nederlandse taalkunde zich op richten.

In 1939 werd daarom de Phonologische Werkgemeenschap opgericht. Omdat de administratie daarvan eerst werd gedaan door P.J. Meertens en later door Jo Daan, die hoofd dialectologie was op het instituut waarvan Meertens de directeur was, bevinden die archieven zich op het Meertens Instituut. Het is voor een taalkundige een ontroerend moment om zo’n map open te slaan en daar zoveel bekende namen te zien: Nicolaas van Wijk, Jac. van Ginneken, Berend van den Berg, Klaas Heeroma, P.J. Meertens en Jo Daan; Branco van Dantzig, de ‘moeder van de logopedie’, die een paar jaar later in Auschwitz zou worden vermoord.

Er zit ook een prachtig notulenschrift bij, met het verslag van alle vergaderingen, waar ook een lezing werd gegeven. Bijvoorbeeld door Willy Dols, een vertrouwde verschijning voor de lezers van dit blog. In keurig handschrift deed de secretaris verslag:

op Donderdag 18 April 1940
des avonds te 8 Uur, Rapenburg 61,
Leiden.

Aanwezig zijn 20 leden. De voorzitter opent de vergadering en doet enkele mededelingen over de vragenlijst. Met gebruikmaking van de binnengekomen opmerkingen zal deze door het bestuur in definitieve vorm worden opgesteld en vervolgens in Onze Taaltuin gepubliceerd. Hij stelt daarop de datum der volgende bijeenkomst aan de orde. Zo mogelijk zal deze nog voor de zomer worden gehouden; het hangt er vanaf of er een spreker bereid gevonden wordt. Voorts wordt de kwestie van de statuten nog aangeroerd. De volgende keer zal deze worden afgehandeld. Daarna krijgt de heer W. Dols het woord tot het houden van een voordracht over ,,Een phonologisch probleem der Limburgse dialekten”. De Limburgse dialekten, die spr. op het oog heeft en waarvan hij vooral het dialekt van Sittard in het middelpunt der aandacht plaatst, kennen in de lange letergrepen tweeërlei intonatie, de valtoon en de sleeptoon. Volgens de opvattingen van Trubeckoy kunnen in dialekten met een dergelijke polytonie de z.g. lange vocalen niet als ,,zwakgesneden” tegenover de z.g. korte vocalen als ,,scherpgesneden” staan.

Spr. toont echter aan dat er op dit punt een conflict bestaat tussen de leer van Trubeckoy en de feiten der Limburgse dialekten, daar deze laatste zo goed als de andere Nederlandse dialekten en de algemene Omgangstaal de correlatie tussen zwak- en scherpgesneden vocalen wel kennen. Behoeven Trubeckoy’s opvattingen inzake de verschillende quantiteitscorrelaties wellicht herziening?

Hierop volgt een gedachtenwisseling. Prof. van Ginneken meent dat het Limburgs zowel de Silbenschnitts- als de gemineringscorrelatie kent, waarvan de eerste jonger zou zijn en aan het Brabants ontleend.

Mej. van Dantzig vraagt of de kinderen moeite hebben met het aanleren der toonverloopscorrelatie. Dit blijkt niet het geval te zijn.

Dr. van Haeringen en Dr. Buiskool stellen vragen over het belang van het intonatieverschil. Hoe levend dit verschil ook is, het is een luxe van de taal en kan misschien in de toekomst door immigratie en kruising verdwijnen.

De heer Zaalberg vraagt waar de grens loopt tussen het gebied met en zonder intonatieverschil en hoe de toestand in het grensgebied is. Naar de grens toe blijkt het verschijnsel geleidelijk minder opvallend te worden.

Mej. Dr. Kaiser maakt nog een opmerking over het phonetische karakter van de sleeptoon en Mej. Daan over het levende bewustzijn van de tegenstelling tussen scherp en zwakge-

sneden klinkers. Prof. van Wijk vraagt of er standdiftongen [?] in het Limburgs voorkomen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Na voorts nog aangedrongen te hebben op onderzoek van de kerndialecten van het gebied der toonverloopscorrelatie, dankt hij als voorzitter de spreker en stelt daarbij vast dat de kwestie die deze aan de orde heeft gesteld nog wel niet opgelost zal kunnen worden. Daarna sluit hij de vergadering.

De secretaris: K. Heeroma

De voorzitter: N. van Wijk

Indertijd verscheen er soms zelfs een verslag van zulke vergaderingen in de toenmalige N.R.C. (met puntjes!), waarbij men kennelijk inzage had in de notulen, of andersom; al waren de opvattingen over spelling tussen journalist en notulist verschillend:

PHONOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP

Dezer dagen heeft de Nederlandsche Phonologische Werkgemeenschap te Leiden vergadert. Nadat de voorzitter prof. dr. N. van Wijk, enkele mededeelingen had gedaan over de phonologische vragenlijst, die aan de leden was toegezonden, kreeg de heer W. Dols, te Sittard, het woord voor een lezing over ,Een phonologisch probleem van de Limburgsche dialecten’. De Limburgsche dialecten, die spr. op het oog had en waarvan hij inzonderheid het dialect van Sittard in het middelpunt der aandacht plaatste, kennen in de lange lettergrepen tweeërlei intonatie, de valtoon en de sleeptoon. Twee woorden, die overigens homoniem zijn, worden door de sprekers van de bedoelde dialecten duidelijk uit elkaar gehouden, wanneer in het eene valtoon en in het andere sleeptoon wordt gehoord. Volgens de opvattingen van den phonoloog Trubeckoy kunnen in dialecten met een dergelijke polytonie de z.g. lange vocalen niet als ,,zwakgesneden” tegenover de z.g. korte vocalen als ,,scherpgesneden” staan. Spr. toonde echter aan, dat de correlatie tusschen zwak en scherp gesneden vocalen in de bedoelde Limburgsche dialecten evenzeer aanwezig is als in de andere Nederlandsche dialecten en de algemeene Nederlandsche omgangstaal. Er is dus op dit punt een confluct tusschen de leer van Trubeckoy en wat de feiten in de Limburgsche polytonische dialecten ons leeren. Spr. stelde naar aanleiding hiervan de vraag, of de opvattingen van Trubeckoy inzake de verschillende quantiteitscorrelaties wellicht herziening behoeven. Op de voordracht van den heer Dols volgde een geanimeerde gedachtenwisseling.

De door Dols aangeroerde kwestie is overigens een reële. De kwestie is: hoe beschrijf je het verschil tussen bijvoorbeeld oo en o in boot en bot? Is de eerste een ‘lange’ versie van de eerste? Of speelt een ander klankverschil (dat van ‘snede’) een rol? De meeste fonologen denken: het laatste, in ieder geval in het Nederlands.

Maar de toonverschillen Limburgse dialecten zijn dan een probleem. De twee valtoon en de sleeptoon verschillen door hoe de intonatietoon zich beweegt tijdens het uitspreken van de klinker. Maar dan heb je dus eigenlijk lengte nodig, zei de beroemde Russische fonoloog Troebetskoj, terwijl het verschil tussen oo en o in het Limburgs hetzelfde klinkt als in het Nederlands. Dat klopt dus niet met elkaar – geen wonder dat er toen zo’n geanimeerde discussie ontstond. De ‘fonologische werkgemeenschap’ in Nederland is het er nog steeds niet over eens.

Een interessant artikel over de Phonologische Werkgemeenschap van Saskia Daalder staat op Academia.edu.