“Die duvel die hout die keersse!”

Door Willem Kuiper

Wie jarig is, tracteert. Niet dat ik (binnenkort) jarig ben. Ik ben nog lang niet jarig. Maar begin deze maand nam ik mij voor om de lezers van Neerlandistiek.nl bij gelegenheid van mijn volgende verjaardag als cadeau een editie aan te bieden van de prozaversie van de Roman van Heinric en Margriete van Limborch. En daar werk ik nu aan. Als u een geoefende lezer van Middelnederlandse teksten bent dan kunt u de versroman het beste lezen in de editie van Robertus Meesters, Amsterdam-Antwerpen 1951. Daarvoor moet u wel naar de boekenkast. De CD-ROM Middelnederlands bevat de editie bezorgd door L.P.C. van den Bergh, Leiden 1846-1847. Dat is de editie van een ouder Brabants handschrift dat samen met de Roman van Walewein het convoluut UB Leiden Letterk. 195 vormt. Deze editie staat ook in de DBNL, en het handschrift kunt u on-line bekijken. Ga daarvoor naar de website Digital Special Collections van de Universiteit Leiden. Selecteer ‘Manuscripts’ en vul in LTK 195, en dan komt u hier. Klik op nr. 2 LTK 195 en u bent in de ‘viewer’. De roman begint op fol. 1. De jongere maar uitvoeriger en zeker niet slechtere Ripuarische versredactie, die Meesters editeerde, wordt bewaard in de KB Albert I te Brussel (signatuur ms. 18231) en is evenals het handschrift zelf nog niet gedigitaliseerd.

In de Franse letterkunde vinden wij flink wat teksten die aan het einde van de Middeleeuwen ontrijmd en omgewerkt zijn tot prozaroman. Deze literaire metamorfose onderging ook de Roman van Heinric en Margriete van Limborch. In 1516 drukte Willem Vorsterman in Antwerpen – dezelfde die een paar jaar later Galien Rethore drukte – deze prozaredactie als een luxe en met houtsneden verlucht boek. Een aantal houtsneden komt mij bekend voor, maar sommige – maar daarvoor moet u / ik eigenlijk Ina Kok raadplegen – lijken speciaal voor deze roman vervaardigd te zijn:

Hier wordt uitgebeeld hoe de duivels een kasteel uit de grond stampen en hoe een duivel vermomd als hertog Otto van Limborch zijn dochter Margriete welkom heet. Dat het duivels in mensengedaante zijn, kan de lezer zien aan de hoorns op hun hoofden. Margriete ziet die hoorns natuurlijk niet. Wij missen de koopman die samen met Margriete de weg terug naar Limborch tracht te vinden, maar zien wel een gevolg van maagden, dat de status van de vrouw in het centrum benadrukt. Margriete, die rammelt van de honger, laat zich maar wat graag aan tafel noden, Maar als zij ziet dat niemand van het gezelschap aanstalten maakt het Benedicite uit te spreken, doet zij dat, en zij slaat er ook nog een paar kruistekens bij. Met dit als resultaat:

De duivels in mensengedaante worden weer gewone duivels en maken dat zij weg komen met achterlating van stank, lawaai en een enorme troep.

Wat er daarna allemaal gebeurt, is zelfs te veel om samen te vatten, maar uiteindelijk belandt Margriete in Athene, waar zij door de graaf wordt opgeëist als “camerier” voor zijn echtgenote. Omdat Margriete zich in een kwetsbare, onveilige en oneervolle situatie bevindt, logent zij haar identiteit en hoge afkomst, en doet zij zich voor als de dochter van een koopman. Dat weerhoudt Etsijtes, de zoon van de graaf, niet om verliefd op haar te worden, en als hij netjes afgewezen wordt een zelfmoordpoging te ondernemen. Gelukkig wordt hij nog net op tijd door zijn neef Evac gered, die hem geduldig uitlegt dat een échte maagd de eerste keer altijd “Nee!” zegt. Alleen sloeries en slettenbakken doen niet moeilijk.

Wat deze prozaroman in mijn ogen zo bijzonder maakt, is dat het boek leest als een toneelstuk. Bijna alle tekst is gesproken woord. Er is eigenlijk geen verteller aanwezig, wat toch uitzonderlijk genoemd mag worden. Daarom is de titel die F.J. Schellart in 1952 meegaf aan zijn editie van deze roman nogal misleidend: Volksboek van Margarieta van Lymborgh. Want dat is het nou net niet: een volksboek. Zijn wijze van editeren is ondanks de grote nauwkeurigheid (en de desondanks onvermijdelijke fouten) voor lezers van nu onnodig moeilijk, en vandaar dat ik besloot om het over te doen, gebruik makend van het gedigitaliseerde exemplaar in de Lessing J. Rosenwald Collection. Zie hier onder nummer 1134.

Al lezend kom je soms rare zinnen en uitdrukkingen tegen, die je niet terugvindt in het Middelnederlandsch Woordenboek. Neem nu het begin van hoofdstuk 2:

HEYNDRICK van Lymborch ionck here. wi hebben verstaen u meninghe. alsoe u vader u belast heeft van winden/ bracken/ spingoelen/ sluperkens/ ende al dat dienlic is ter iacht garen ende horens soude te hoope laten brenghen ende vergaderen van ons lieden al dat ons in die iachte van nooden sijn sal.

Zo staat het er bij Schellart. Ik maak er dit van:

“Heyndrick van Lymborch, jonck here, wi hebben verstaen u meninghe, alsoe u vader u belast heeft van winden, bracken, spingoelen, sluperkens ende al dat dienlic is ter jacht, garen ende horens soudt te hoope laten brenghen ende vergaderen van ons lieden al dat ons in die jachte van nooden sijn sal.”

Maar waar ik nu over viel, is het begin van hoofdstuk 19, waar de furieuze gravin uitroept (mijn editie):

“Noch segge ic: die duvel die hout die keersse dat Etsijtes, mijn sone, aldus versodt is op dit sleterken Margrieten van Lymborch. Mi dunct dat ic splijte dat ic sie ende hore dat mijn kint soude beminnen een coopmans dochter. Tfy, dat is grote schande! Ick sals mi eens wreken ende hem castijen met sulcken schandeliken woorden so dat hem gruwelen sal dat hi mi oyt sach. Ick wil gaen sien waer dat hi is, oftse weder te samen sijn.”

Dit is toch je reinste opera. In het Middelnederlansch Woordenboek kon ik de uitdrukking: ‘de kaars houden’ niet terugvinden. En dan zit er niets anders op dan een beroep te doen op de kennis en belezenheid van UvA collega Jelle Koopmans, romanist. Kent hij een Franse uitdrukking die hiermee overeenkomt?

Die kende hij: […] wel is er de uitdrukking tenir la chandelle: “als derde aanwezig zijn bij een amoureus samenzijn”. Met die kennis gewapend startte ik Google en vulde ‘tenir la chandelle’ in. Helemaal bovenaan – het zit ook wel eens mee – vond ik een link naar de (Franse) Wiktionnaire:

→ voir tenir et chandelle, donc à l’origine éclairer, c’était en particulier la tâche du garçon d’honneur lors du coucher des mariés. Dans certains milieux, il s’agissait de venir éclairer le drap pour vérifier la présence de sang prouvant que la mariée était bien vierge avant la consommation du mariage.

Wat moeder in haar woede uitroept, is nog altijd voor meer dan één uitleg vatbaar, maar haar vloek is wel begrijpelijk(er) geworden.

 

Naschrift: Via Facebook werd ik er door Remco Sleiderink op geattendeerd dat deze uitdrukking wel in het WNT beschreven wordt s.v. KAARS sub 1: de kaars houden.