Gesprekken examineren – het rollenspel

Eindexamen gesprek (aflevering 5)

Door Marc van Oostendorp

Er zijn schoolvormen in Nederland waar het gesprek inderdaad wordt geëxamineerd: het vmbo en het mbo. Het zogenoemde ‘referentiekader’ dat in opdracht van het ministerie van onderwijs is samengesteld geeft vrij uitvoerige informatie over aan wat voor criteria een goede gespreksbijdrage zou moeten voldoen.

Een van die criteria is, willekeurig gekozen, ‘beurten nemen en bijdragen aan samenhang’. Op het laagste door het referentiekader gedefinieerde niveau betekent dat ‘Kan een kort gesprek beginnen, gaande houden en beëindigen’. Op het hoogste niveau is het ‘Kan een passende frase kiezen om eigen opmerkingen op de juiste wijze aan te kondigen en de beurt te krijgen, of om tijd te winnen en de beurt te houden tijdens het nadenken’. Of dat succesvol vechten om ‘de beurt’ nu per se een hard criterium kan zijn – ‘Kan standaardzinnen gebruiken (bijvoorbeeld: ‘Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag’) om tijd te winnen en de beurt te behouden’  heet het bij een van de tussenniveaus –, daarover kun je twisten. Je zou ook kunnen zeggen dat je soms zo min mogelijk aan de beurt moet zijn om een gesprek tot een succes te maken. Maar zo is er altijd wat.

Gemakkelijker contact

Er kunnen verschillende vormen zijn. Soms voert de leraar het gesprek met de leerling en beoordeelt het tegelijkertijd. Soms voeren twee leerlingen een gesprek met elkaar onder leiding van een leraar; en soms beoordeelt die leraar dan ook het gesprek, in andere gevallen wordt het gesprek op video opgenomen en beoordeelt iemand anders het. In zo’n geval zijn de verschillende rollen het mooist van elkaar gescheiden (als de gespreksleider het slecht doet, kan de beoordelaar dat verdisconteren in de beoordeling van de leerling.)

Er zijn ook leraren die deze laatste vorm ongeschikt vinden, bijvoorbeeld omdat dit leerlingen in het nadeel brengt omdat ze met een slechte leerling moeten spreken: stel dat je medeleerling van de zenuwen geen stom woord uit kan brengen, of sowieso alleen heel stug reageert. Nu is dit natuurlijk niet helemaal te voorkomen: ook als de leraar het gesprek zelf voert, kan ze natuurlijk ervaren dat ze nu eenmaal gemakkelijker contact maakt met de ene leerling dan met de andere. En dat is in zekere zin óók oneerlijk.

Rollenspel

Een ander bezwaar dat wel wordt geopperd is dat leerlingen zich op zo’n tweegesprek met elkaar te goed kunnen voorbereiden: dan vraag jij dit, en dan zeg ik dat. Ze voeren dan toneelstukje op – en dus in zekere zin alsnog met zijn tweeën een monoloog. Nu kan dat wel weer worden ondervangen door de leerlingen zich te laten voorbereiden op een onderwerp, maar niet per se op elkaar. Leerlingen worden dan ter plekke willekeurig aan elkaar gekoppeld om een gesprek te voeren.

Je zou ook nog kunnen denken aan het spelen van een rollenspel. Je hoeft niet altijd een gesprek te voeren als jezelf om te kunnen oefenen.

Hoe dan ook zijn er genoeg vormen te bedenken om een gesprek te voeren en dat te beoordelen.