Etymologie: pimpelpaars

Door Michiel de Vaan

pimpelpaars bn. ‘hard paars’

Nnl. pumpel bn. (1617), pimpel zn. ‘paars’ (1624), pimpelpaers bn. (Bredero, 1610–1619), pumpelpaers (1642), pimpelpeers (1650). Daarnaast de verbinding pimpel en peers (1733), pimpel en paars (1738).

Pumpel is waarschijnlijk ontstaan door ronding van i naast de lipklanken p en m, vgl. wulp uit welp. Ook bij pimpel ‘pukkel, puist; vaasje, glaasje’ bestaan varianten met u (al in de 17e eeuw), evenals bij pimpelmees (WVla. pumpermeeze).

De zoektocht naar een kleurwoord als directe bron van pimpel is tot nu toe vruchteloos gebleven. Het woord purper is vanouds met u geattesteerd en er is niets dat voor een dissimilatie van pur- tot pum- pleit. De pimpelmees heeft weliswaar een blauwe kruin en vleugels, maar het woord is pas vanaf 1567 geattesteerd, en de herkomst van pimpel wordt er niet duidelijker door. Het werkwoord pimpelen ‘veel drinken’ doet aan de gekleurde neus van drinkebroers denken, maar lijkt eerder van het zn. pimpel(tje) ‘drinkglaasje’ te zijn afgeleid.

Mogelijk is daarom de kleurbetekenis van pimpel secundair ontstaan, zoals bij paars zelf (oorspronkelijk ‘Perzisch’), oranje (‘sinaasappelkleur’) en violet (‘viooltjeskleur’). Het valt op dat pimpel en pumpel in de oudste teksten niet dwingend en/of uitsluitend een kleur aanduidt. De pumpele wanghen uit 1617 kunnen ‘bolle wangen’ betekenen: Ick beloofje dit: dat jou Deensche kop, en pumpele wanghen, van desen avont lustigh vlieghen sullen vanghen (Klucht van Tryn van Hamborgh). De beschrijving is duidelijk pejoratief, en de wangen kunnen als ‘met de kleur van pukkels’ worden opgevat. Ook negatief is de omschrijving van Fijtje’s wangen in Jan Vos’ Klucht van Oene (1642): Heur rondtom kaakelbont en pumpelpaerse wangen zou men in ’t gasthuis veur tinne-pispotten an de bedtsteen te pronk hangen. Bredero’s pimpelpaers staat in een spotlied over een lelijke minnares: Haer tangden zijn kastangie bruyn, heur lippen pimpelpaers. Ook in het anonieme Muyder-sproockje uit 1650 slaat pimpelpeers op het gezicht: hy swol van benautheyt om sijnen kop gelijck een padde, ja wiert so pimpelpeers in sijn aensicht, als hadde hy al een uyr aen de galgh gehangen. Ten slotte maakt deze interpretatie het bestaan van pimpel en peers ‘bont en blauw’ begrijpelijker, namelijk als ‘beurs en paars’: Daar ik myn nieuwsgierigheid, met een pimpel en peerse schouder meer dan een geheele week lang beklaagde (1733).

Ik stel dus voor dat pimpel oorspronkelijk ‘pukkelkleurig’ betekende, en hetzelfde woord was als pimpel ‘pukkel’ dat in het WNT alleen onder pumpel genoemd wordt, maar dat zeker identiek is aan pimpel ‘borrelglaasje’, pimpel ‘zwak persoon’ en ook pimpeltje ‘kleine mees’. Hoewel de samenstelling pimpelmees (1567) eerder is geattesteerd dan pimpeltje ‘pimpelmees’ (1622), kan aan het benoemingsmotief ‘kleine mees’ moeilijk getwijfeld worden.

Nederlands pimpel moet verwant zijn aan Engels pimple ‘pukkel’, Middelengels pemple, pymple. Dat laatste kan binnen het Engels horen bij Oudengels pipeliende ‘puistig’, maar de verdere herkomst van pi(m)pel- geldt als onduidelijk.