Woordsoorten zijn raadsels

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-4Er zijn onderwerpen in de taalkunde waarover we na duizenden jaren theoretiseren nog steeds weinig weten. Woordsoorten zijn zo’n onderwerp.

Het is in het Nederlands duidelijk zinnig om bijvoorbeeld werkwoorden (lopenslapen) te onderscheiden van zelfstandig naamwoorden (wandeling, bed). De eerste twee hebben bijvoorbeeld een verledentijdsvorm (liepen, sliepen) en de tweede twee niet; maar die kunnen dan weer met een lidwoord gecombineerd worden (de, het) wat bij de eerste twee niet mogelijk is. Alleen al die observatie maakt het nuttig om het onderscheid te maken.

Het onderscheid is al heel oud, en komt oorspronkelijk uit de studie van het Latijn en het Grieks; het werkt in ieder geval voor de moderne Europese talen nog steeds heel goed. Maar als we voorbij deze simpele constateringen willen komen, houdt onze kennis al snel op.

Antagonistische scholen

Onderscheiden bijvoorbeeld alle menselijke talen zelfstandig naamwoorden en werkwoorden? Niet alle woordsoorten lijken in alle talen voor te komen. Het Nederlands en het Grieks kennen allebei wel lidwoorden, maar het Latijn niet. Nu lijken naamwoorden en werkwoorden op de een of andere manier fundamenteler dan lidwoorden, en talen hebben er ook van ieder veel meer. Maar hebben alle talen ze ook echt? En als dat zo is, waar komt het onderscheid dan eigenlijk vandaan?

Over dit soort kwesties hebben twee zeer vooraanstaande taalkundigen – Mark Baker en William Croft – onlangs een artikel geschreven. Het artikel baarde al enig opzien doordat Baker en Croft protagonisten zijn van misschien wel de belangrijkste antagonistische scholen in het grammaticaonderzoek, de formalisten en de functionalisten. Met dit artikel laten de twee zien dat de oppositie voor dit specifieke probleem weinig uitmaakt: we begrijpen er hoe dan ook weinig van.

Woordcategorieën

Formalisten zouden in dit geval geneigd zijn te zeggen dat ‘werkwoord’ en ‘zelfstandig naamwoord’ vaststaande, misschien wel aangeboren, grammaticale categorieën zijn.  Functionalisten zullen het verschil willen afleiden van een fundamenteel idee van betekenis: er zijn nu eenmaal objecten en gebeurtenissen in ieders leven en dus hebben we zelfstandig naamwoorden en werkwoorden nodig.

Beide ideeën hebben hun problemen, laten Baker en Croft zien. Er blijft in dit geval iets fundamenteel onbevredigends aan een puur formalistische benadering: waarom zouden we nu een aangeboren gevoel hebben voor dit soort taalkundig ontleden? En waar houdt dat precies op (hebben we bijvoorbeeld ook lidwoorden of onderschikkende voegwoorden in die inventaris zitten ook al gebruiken niet alle talen die?) En hoe zit het met talen die eigenlijk helemaal geen duidelijk verschil maken tussen woordcategorieën, omdat ze geen verbuigingen en vervoegingen hebben?

Op de keper beschouwd

Maar de functionalistische benadering heeft ook zijn bezwaren. Zo kan een zelfstandig naamwoord ook een gebeurtenis weergeven (gebeurtenis) of een eigenschap (hij is een leukerd). Bovendien: als je ervan uitgaat dat iedere taal de werkelijkheid helemaal op zijn eigen manier opdeelt, afhankelijk van hoe de sprekers de taal bezien, waar is dan de grens? Er zijn dan niet alleen verschillen tussen talen, maar ook tussen dialecten (want de grens tussen talen en dialecten is zelf vloeibaar), en eigenlijk tussen iedere twee sprekers (want de grens tussen de kleine verschillen die er tussen alle sprekers bestaan en ‘dialecten’ is ook weer vloeibaar). De consequentie daarvan is dan weer dat iedere persoon een andere taal spreekt en geen twee sprekers met elkaar vergelijkbaar zijn. Bij zoveel relativisme houdt de mogelijkheid tot wetenschappelijke analyse op.

Lees vooral dit artikel waarin de kwestie in veel detail wordt besproken, inclusief enkele mogelijke richtingen om de oplossing te vinden. Ik vind het altijd fascinerend te beseffen dat we over iets zo basaals als woordsoorten – waarover we al zo lang nadenken, wat iedereen op de basisschool leert – op de keper beschouwd nog zo weinig begrijpen.