Waarom er in 1916 zoveel kinderen maar één naam kregen

Door Marc van Oostendorp

attachment-1-35Ik hoor tot een onontdekte minderheid. Jullie weten niet wat het is: het leven moeten doorworstelen met slechts één voornaam. Altijd maar weer moeten uitleggen aan bevoegde instanties dat je inderdaad alleen maar zo heet. Nee, zelfs geen Marcus, dank u wel. En terwijl ik mijn hele leven al omringd ben door katholieken is er nergens een Maria te vinden in mijn paspoort.

Onlangs publiceerden Gerrit Bloothooft en David Onland een uitvoerig historisch artikel over de geschiedenis van de Nederlandse gewoonte om meer dan één voornaam te geven. Ze gebruikten daarvoor vooral gegevens uit allerlei databanken waarin die namen officieel geregistreerd werden, en gaan daarom vooral in op kwantitatieve gegevens.

Dat levert allerlei interessante inzichten op. Zo associëren we de gewoonte om meer dan één voornaam aan een kind te geven inmiddels vooral met katholieken. Uit de gegevens blijkt dat die polarisering pas in de loop van de 19e eeuw is ontstaan. Dat werkte twee richtingen op: terwijl in de katholieke provincies het eennamige kind gaandeweg een rariteit werd, knabbelde de tijd juist steeds meer namen weg bij de nieuwgeborenen in protestantse provincies als Zeeland of Friesland. De katholieke ‘traditie’ om ook jongens Maria als een van de namen te geven blijkt trouwens pas rond het midden van de twintigste eeuw echt zichtbaar te worden.

Grootste minderheid

Ook de resultaten van de ontkerkelijking zijn trouwens goed te zien: sinds 1970 is de enkele naam ook (of: zelfs) in Limburg weer sterk in opkomst.

Maar fascinerend vond ik vooral deze grafiek, die gaat over alle bestanden bij elkaar, en dus de trends laat zien voor heel Nederland:

ynam_a_1118860_f0002_b

De lijnen geven aan wat het percentage kinderen was dat 1, 2, 3 of 4 of meer namen kreeg. De eennamige mens is in de loop van de negentiende en twintigste eeuw gaandeweg gemarginaliseerd, en komt pas sinds de jaren zeventig weer een beetje terug (al is hij nu nog steeds slechts de grootste minderheid; er zijn nog altijd meer mensen met 2, 3 of 4 namen).

Antipapisme

Die ontwikkelingen verlopen vrij geleidelijk, behalve dat er in 1916 duidelijk iets dramatisch is gebeurd. Ineens vertoont lijn 1 een duidelijke piek, en de andere lijnen een even schokkerig dal.

Die dramatische uitslag blijkt ingegeven te zijn door een allang vergeten wetsvoorstel. De armlastige regering – we zaten midden in de Eerste Wereldoorlog, waaraan ons land weliswaar niet mee deed, maar die toch op een aantal manieren schade toebracht – stelde de regering voor om voortaan een belasting te heffen op het hebben van meer dan één voornaam. Een veelheid van namen zou duiden op grote welstand. (Bloothooft en Onland geven overigens geen uitsluitsel of dat ook klopt, en ook niet of er in 1916 niet ook sprake was van enig al dan niet verhuld antipapisme.)

Efemeers

De wet werd fel bediscussieerd, en kwam er uiteindelijk niet. Maar om geen enkel risico te nemen – zuinigheid met vlijt bouwt hutten als kastelen – hadden veel ouders kennelijk hun kind maar alvast van overbodige voornamen ontdaan.

Het effect bleef in de volgende jaren ook nog voortijlen. Dat verklaren Bloothooft en Onland uit een neiging van ouders om de namen van hun kinderen zoveel mogelijk parallel op te bouwen. Als Jan maar één naam heeft, ga je Marie en Piet niet ineens ornamenteren met allerlei toeters en bellen.

En zo zie je dus in één grafiek over iets betrekkelijk efemeers als de hoeveelheid namen die kinderen hebben allerlei maatschappelijke ontwikkelingen terug. Ik ben een kind van mijn tijd.