Verborgen verleden : Rodd’rick ende Alphonsus

Door Willem Kuiper

Aangekomen bij hoofdstuk 105 van mijn feuilleton editie van Palmerijn van Olijve doet zich een onverwacht probleem voor. Waar de Franse brontekst als hoofdstuktitel voert:

Comme Palmerin et ses compagnons nauigans en la mer Mediterranée, furent pris par Olimaël Amiral du grand Turc : et des courses qu’ilz firent en la Grece, ou Palmerin sauua Lorene Princesse de Durace. Chapitre CVI.

lees ik tot mijn verbazing in de Nederlandse vertaling:

Hoe Palmerin ende zijn gheselschap door groot onweder aen quam int coninckrijck van Spanien, ende van de ongheluckighe liefde ende getrouwe vrientschap van twee brave ridderen. Het .cv. capittel.

En wat volgt, staat volkomen los van de Franse brontekst. Het is het ongelukkige verhaal van twee ridders, wier vriendschap vergeleken wordt met die van Pilades en Grestes, die leefden in hun eerste “saysoene”, dat wil zeggen dat zij nog jong waren, “ten tijde als in Spanien regeerde eenen coninck Ferdinandus ende een coninginne Ysabella ghenoempt”. De een is genaamd Don Roderick en de ander Don Alphonse. “Grestes” is geen tik- of leesfout van mij, dat staat er echt. Bedoeld wordt het exemplarische Griekse vriendenpaar Pylades en Orestes.

Dat Bredero voor zijn eerste treurspel Rodd’rick ende Alphonsus gebruik gemaakt had van Palmerijn van Olijve wist ik, omdat ik die toneeltekst destijds voor mijn literatuurlijst Renaissance (bij Mieke Smits) gelezen heb, en met plezier. Dat was zelfs één van de redenen waarom ik ooit aan deze editie begonnen ben: nieuwsgierigheid naar hoe men in het begin van de Nieuwe Tijd met middeleeuwse stof omging. Maar toen ik voor alle zekerheid de meest recente editie van Rodd’rick ende Alphonsus bezorgd door C. Kruyskamp, Zwolle 1968, raadpleegde om te zien of die mij iets meer kon vertellen over deze interpolatie in Palmerijn van Olijve, toen zag ik tot mijn stomme verbazing dat Kruyskamp het blijkbaar niet nodig gevonden had om een Spaanse druk of een Franse vertaling daarvan te raadplegen, voordat hij op pagina 11 van zijn inleiding schreef:

De keus van de stof – een episode uit de roman van Palmerin de Oliva, die een voortzetting is van de Amadisromans – moet men wel in de eerste plaats zien in verband met het doel waarvoor het stuk werd geschreven:

Want dit verhaal staat helemaal niet in Palmerin de Oliva … Evenmin in de Franse vertaling, zoals Jan Ten Brink (aangehaald op dezelfde pagina 11 door Kruyskamp) indirect suggereerde.

Maar waar komt dat verhaal dan wél vandaan? Dat moet gelet op de manier waarop het verhaal geïntroduceerd wordt, haast wel een Spaanse c.q. Castiliaanse bron geweest zijn. Ook de eigennamen ogen en klinken Spaans: Roderick is de vernederlandsing van Roderich (Spaans: Rodrigo), de naam van de laatste Westgotische (Spaanse) koning, die zich doodvocht tegen de Mooren. Alphonse is een typisch Spaanse koningsnaam. De Franse epiek kent volgens het Repertorium van Moisan geen eigennamen die zelfs maar lijken op Roderick en Alphonse. Maar het kan natuurlijk heel goed zijn dat de vertaler dit aangrijpende verhaal hiervandaan en de namen daarvandaan gehaald heeft. Misschien wel om zijn bron te maskeren?

In Palmerijn van Olijve wordt het hele verhaal van Roderick en Alphonse naverteld in dat ene hoofdstuk 105, dat daardoor buitenproportioneel fors is uitgevallen: fol. 154va-fol. 166rb, in katernsignaturen [V3va]-[X7rb]. Bij gelegenheid moet (iemand als) Mike Kestemont maar eens uitrekenen hoe groot of hoe klein de kans is dat de vertaler van Roderick ende Alphonse dezelfde is als de vertaler van Palmerijn van Olijve. Feit is dat deze interpolatie voor het oog van de lezer door redactionele ingrepen van de Palmerijn-vertaler organisch deel uit maakt van deze roman, met bovengenoemd misverstand tot gevolg, die hierna vervolgt met:

Hoe Palmerijn ende zijne cammeraten ghevanghen worden by Olimael, admirael vanden grooten Turc, ende vande roovinghen die den selven deden in Grieckenlandt, alwaer Palmerin Laurene de princesse [van] Duracen salveerden. Het .cvi. capittel.

en zich weer aansluit bij zijn Franse brontekst: Palmerin d’Olive.

Natuurlijk heb ik Gallica geraadpleegd, Google aan het werk gezet en een beroep gedaan op UBA UvA vakreferent Spaans Tineke Groot, sponsor van dit feuilleton, maar tot op heden zonder enig resultaat. Ook heb ik een e-mail verzonden naar de oudste universiteit van Madrid in de hoop dat iemand daar antwoord kan geven op mijn vraag: Wat is de bron van Roderick ende Alphonse? Mocht een van u, lezers, het weten, laat van u horen!

 

Dit bericht is geplaatst in column, edities, letterkunde, oproep met de tags , , , . Bookmark de permalink.