Ik breid mijn armen uit tot zwingen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (107)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij
Illustratie: Susanne van der Kleij

Het is een fijne ontdekking: dat ergens een woord voor bestaat. Je hebt het al je hele leven gezien, maar het was altijd iets privaats en iets schimmigs. En dan ineens ontdek je dat er een woord voor is – een teken dat andere mensen het kennelijk ook de moeite waard hebben gevonden om over te praten.

Zoals zwingen, volgens het WNT ‘o.a. van het haar, de boomen, een wieg: een heen en weer gaande, zwaaiende, zwiepende, schommelende, slingerende beweging maken’. Dat is op zich natuurlijk een poëtische beschrijving, met die bepaalde lidwoorden voor haar en boomen en dat onbepaalde voor wieg.

Interessant is verder dat er sprake is van ‘een heen en weer gaande, zwaaiende [enz] beweging maken’ in plaats van ‘heen en weer gaan, zwaaien [enz]’: het gaat niet om de vorm van de beweging (heen en weer of zwaaiend), maar om de beweging zelf. Bovendien is de lijst van mogelijke bewegingen nogal divers in intensiteit, van zwiepend (dat voor mijn gevoel een heel krachtige beweging is) tot schommelend (dat maar lichtjes beweegt).

Kennelijk vonden vorige generaties die beweging – zoiets als swingen, maar dan zonder muziek – de moeite waard om te benoemen. En kennelijk vinden wij dat niet meer.

In het sonnet Herfstboom van Hélène Swarth worden de armen van de dichteres vergeleken met takken, en die takken maken een zwingende beweging:

Ik weet een boom, die staat alleen te sterven,
Zijn ijle twijgen spreidende op de luchten,
Als vleuglen van een reuzevogel: – vluchten
Wil hij van de aarde, waar hij vreugd moet derven.

O teedre boom, versmadend zware vruchten
En bonte oranje en incarnate verven!
Etherisch licht, als bleeke veedren, zwerven
Uw broze loovren heen op windezuchten.

O boom! ik voel uw bladerval doorbeven
Mijn droomenblauw, als droeve erinneringen.
Ik voel verwant uw leven en mijn leven.

Ik breid als gij mijn armen uit tot zwingen,
Ik kan er nooit ten hemel heen mee streven:
’t Zijn donkre wortlen, die mijn wil bedwingen.

In dit gedicht speelt Swarth toch al een ingewikkeld spel met vergelijkingen. Haar armen lijken op herfsttakken, die op hun beurt op ‘vleuglen van een reuzevogel’ lijken, terwijl hun afvallende ‘broze loovren’ lijken op ‘bleeke veedren’.

Wij lijken op bomen die lijken op vogels.

En toch ook weer niet, want de vergelijking tussen bomen en vogels gaat mank, omdat de eerste wortelen hebben. Net als wij.