Etymologie: vermeien

Door Michiel de Vaan

vermeien ‘ontspannen, vermaken’

Vroegmiddelnederlands meien ‘zich vermaken’ (in de Wrake van Ragisel, 1260–1280: doe houen si  / die magt die cush was ende vri / op des selues ridders part / die dar doet geslegen wart / die met hare was meien comen). Mnl. meyen ‘zich vermaken’ (Dat ic daer wilde gaen meyen op die riviere in der valeyen, 1301–1325), hem meyen ‘zich ontspannen en vermaken (in de natuur, in de meimaand)’, ‘bloeien’ (1477), Nnl. meyen ‘zich vermaken’ (1544).

Met ver-: Mnl. hem vermeyen (1340–1360), hem vermeiden (ca. 1400) ‘zich in de natuur ontspannen’, Nnl. vermeyen ‘met meitakken of lover versieren’ (1588), ‘vermaken, blij stemmen’ (1541); hem/zich vermey(d)en ‘zich ontspannen; zich verheugen’ (1503). Andere afleidingen en samenstellingen: Nnl. bemeyen ‘met meitakken versieren’ (1654), spelemeien ‘spelevaren’ (1671).

Verwante vorm: Mhd. meien, meigen ‘vrolijk zijn in mei; voor het meifeest versieren’. Vgl. Nhd. Maie ‘meiboom’, mv. Maien ‘groene takken, bos bloemen’, wat in oorsprong hetzelfde woord is als Mai ‘mei’.

Meien is direct afgeleid van mei ‘de maand mei; vers groen lover’. Het werkwoord moet dus als ‘zich ontspannen zoals in de maand mei’ of ‘zich ontspannen tussen het groen’ zijn begonnen. De vormen met d zijn door hypercorrectie ontstaan na de klankwettige wegval van d tussen klinkers.