Etymologie: tondel

tondel zn. ‘licht ontvlambare stof’

Middelnederlands tunder ‘stof om vuur mee te slaan’ (1477), Nnl. tonder o. ‘licht ontvlambaar materiaal, zoals dorre bladeren, niet geheel verkoold linnen of katoen, gedroogde zwammen’ (1617; na de 19e eeuw niet meer gebruikelijk), tondel (1705), tontel o. (1692), tuntel (1743); verder tondeldoos (1686), tonteldoos (1681). Met de klinker i of e: Middelnederlands tendelen ‘doen ontvlammen’ (ca. 1470, Zuidwest-Limburg), Nnl. tintel o. ‘tondel’ (1618; sinds de late 18de eeuw verouderd).

In dialecten: (a) tonder in Zuid- en Noord-Holland en Twente, tontel in Limburg en Noord-Holland, tuntel, tundel in de Achterhoek, tunder, tunner in Groningen, tonter in Drente; (b) tintel in West-Vlaanderen, Zeeland en Zuid-Holland, sporadisch ook tintel, tentel in Brabant, Limburg en West-Vlaanderen, tendel, tentel, tintel in het Nederrijns en noordelijk Ripuarisch.

Ontlening van het woord uit het Duits in de 16e of 17e eeuw, zoals het Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries (1971) voorstelt, is gezien de dialectvariatie binnen het Nederlands niet aan de orde. De brede verspreiding van tintel(doos) in het Zuidnederlands en de attestatie van tendelen in 1470 wijzen erop dat tintel op tentel berust, en uit ouder *tendel is voortgekomen met invoering van de t van tontel.

Verwante vormen: (a) Middelnederduits tunder, Oudhoogduits zuntara v. ‘ontvlambaar materiaal’, zuntil m. ‘aansteker’, Middelhd. zunder o. ‘tondelzwam’, zündel m./o. ‘ontvlammer’, Nhd. Zunder ‘ontvlambare stof’; Oudengels tynder, tyndre v., MoE tinder ‘tondel’. (b) Got. tandjan ‘in brand steken’, Mhd. enzenden, OE ontendan, MoE dial. teend, tind ‘id.’, Deens tænde, Zweeds tända < *tandjan-.

Etymologie: (a) Voor het zn. mogen we West-Germaans *tundra- n. ‘tondel’ en *tundila- ‘tondel’ reconstrueren. Dezelfde wortel *tund- zit ook in de Proto-Germaanse werkwoorden *tundēn– ‘branden’ (Duits zünden), *tundnan- ‘ontbranden’ (Go. tundnan) en *tundjan- ‘in brand steken’ (Ohd. zunten), en het wel of niet optreden van umlaut in tonder/l is waarschijnlijk mede beïnvloed door die werkwoorden. (b) Daarnaast bestond PGm. *tandjan- ‘in brand steken’, waarvan Mnl. tendelen en Nnl. tendel, tintel afstammen.

Germaans *tand-jan- en *tund-ra-, *tundila- kunnen als PIE *dondh-eie- resp. *dndh-ro-, *dndh-elo- gereconstrueerd worden, maar er is geen passende wortel bekend.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

1 Response to Etymologie: tondel

  1. Ik mis nog Middelhoogduits zinnen ‘branden, gloeien’ (ich zinne nâch ir als ein gluot) en Oudnoords tinna ‘tondel’, kennelijk met assimiliatie van -nn- uit -ndn-.

Reacties zijn gesloten.