Etymologie: spie

Door Michiel de Vaan

spie zn. ‘pin, wig’

Nieuwnederlands spie, spije (1562), spye (1657), spij (1697) ‘pin, nagel, bout, kleine wig; wigvormig stuk grond’. Dialectisch spie (Limburg, Brabant, Oost-Vlaanderen), spieë (West-Vlaanderen, Zeeland), speej (Schaijk), spiy (Ravenstein). De varianten in Limburg wijzen op lange *ī.

Voor het Westgermaans mogen we *spīhō(n)- reconstrueren. De beperking van spie tot het Nederlands taalgebied is opvallend. De betekenis en de vormovereenkomst wijzen op een verband met spier, spijker en spijl, in welk geval we met een wortel *spei- voor ‘spits zijn’ te maken hebben, met verschillende achtervoegsels (over de mogelijke analyses van die wortel in het Indo-Europees wil ik het hier niet hebben). Spie komt het meest overeen met verschillende woorden met een Germaanse k, zoals PGm. *spīka- m. ’spijker’ (OIJs. spíkr ‘id.’), *spīkō– v. (OIJs. spík ‘houtsplinter’) en *spaikōn- spaak, spijl’ (Mnl. speeke, Hd. Speiche). De afwisseling tussen h en k en de aanwezigheid van n-stammen doet vermoeden dat spie samen met de k-woorden teruggaat op een enkel Germaans zn. met een wisseling h/k die op een n-stam met verdubbeling van PIE *k voor n teruggaat. Een ander voorbeeld daarvan is Germaans *rīhō, *rikkaz ‘staaf, lijn, reeks’, waaruit o.a. Duits Reihe, Nl. rij en Mnl. reke ‘rij, regel, reeks’ verklaard kunnen worden (cf. Kroonen 2011: 239–243). Voor spie kunnen we dan een Proto-Indo-Europees zn. reconstrueren met nominatief *spéikōn, genitief *spiknós, waaruit in het Germaans eerst *speikōn, *spikkaz en later *spīhō, *spikkaz ontstonden. Daaruit kwamen, met veralgemenisering van de h- of de kk-variant, zowel *spīhō(n)- als *spīka- voort.

Literatuur:
Kroonen, Guus. 2011. The Proto-Germanic n-stems. Amsterdam / New York: Rodopi.