Tomas Morus als verjaardagsgeschenk voor Jacob Cats

Door Ton Harmsen

62morusVan Leuven tot Bredevoort, overal in Nederland en België zijn lezingen, congressen, tentoonstellingen, snapshots en boekpresentaties rond de Utopia van Thomas Morus, die precies vijfhonderd jaar geleden in Leuven voor het eerst gedrukt werd. Morus was een rijk en vooraanstaand jurist, humanist en raadsman van Hendrik VIII. Zoals Erasmus zijn Lof der Zotheid aan hem opdroeg, droeg Morus zijn maatschappijkritische fantasie in 1516 op aan Pieter Gillis, de Antwerpse drukker en stadssecretaris met wie hij, net als Erasmus, zeer goed bevriend was. Gillis heeft aan het bedenken van Utopia meegewerkt en speelt een rol in het boek. In Utopia beschrijft een reiziger de wetten en de taal van de ideale staat die hij bezocht heeft, en levert daarmee impliciet forse kritiek op de actuele maatschappij waarin willekeur en winstbejag het leven voor veel mensen tot een hel maken.

Morus zelf heeft dit aan den lijve ondervonden in zijn conflict met koning Hendrik de Achtste, die in 1533 scheidde van Catharina van Aragón om te kunnen trouwen met zijn maîtresse Anna Boleyn, moeder van koningin Elisabeth. Toen paus Clemens VII voor de scheiding geen toestemming gaf, verbrak Hendrik VIII alle betrekkingen met het Vaticaan en riep hij zichzelf uit tot hoofd van de Anglicaanse kerk. Thomas Morus bleef aan de kant van de paus staan en nam zijn ontslag als kanselier. Twee jaar later werd hij op beschuldiging van hoogverraad terechtgesteld.

Deze complexe geschiedenis is enkele malen tot een toneelstuk verwerkt. In de vorige eeuw door Henriëtte Roland Holst, en eerder door een aantal Zuid-Nederlandse rederijkers en schoolmeesters; in Amsterdam vertaalde Jan Hendrik Glazemaker Thomas Morus, of de zegepraal des geloofs, en der standvastigheid (1688) uit het Frans, en Jan Jacobsz Schipper leverde Tomas Morus, den grooten kanselier van Engelant, met ’et verstooten der koningin Katryne (1659), voor zover mij bekend een oorspronkelijk werk. Dit laatste is te lezen bij Ceneton.

Als uitgever heeft Jan Jacobsz Schipper een fonds met grote namen: de Wetsteen der Vernuften van Jan de Brune de Jonge, de Schat der ghesontheyt van Joan van Beverwyck, de Razende Roeland van Ariosto, werk van Livius, Luther, Erasmus, Van Mander, Hooft, Lambert van den Bos en vooral veel Cats. Een mengeling van humanisme en calvinisme. Zijn eigen toneelstuk over Morus verscheen in 1659 bij de toneelspecialist Jacob Lescailje.

Tomas Morus wordt in de Nederlandse literatuurgeschiedenis genegeerd: Te Winkel zegt alleen dat het een historiestuk is, en de vorige Catsbiograaf Domien ten Berge wijdt er één zin aan waarin twee niet ter zake doende onjuistheden staan (op p. 187). Gelukkig krijgen we volgend jaar van Johan Koppenol een nieuwe Catsbiografie. Want de verhouding tussen Schipper en Cats is interessant, zeker in verband met deze historische stof: een dramatisch keerpunt in de geschiedenis, waarin een koning zich door zijn verliefdheid laat meeslepen om alle soorten van wereldlijk en kerkelijk recht terzijde te schuiven. Thomas Morus is een katholieke martelaar. Wat de calvinist Cats in hem gewaardeerd moet hebben is zijn compromisloze afwijzing in deze huwelijkskwestie van het door de koning begane onrecht, zelfs toen hij zag dat dat hem zijn hoofd ging kosten. Er is een zekere overeenkomst tussen het spel van Schipper en het enige toneelstuk Aspasia van Jacob Cats (ook in Ceneton), al is de historische werkelijkheid van Hendrik VIII veel harder dan de geromantiseerde situatie aan het hof van keizer Cyrus: Aspasia is een ambitieuze vrouw die de keizer inpalmt, tot verdriet van haar dorpsgenoot Damon die verliefd op haar is. Ook Anna Boleyn palmt de koning in, al verklaart zij aanvankelijk haar eer en deugd het belangrijkst te vinden; maar in het sprookjesachtige verhaal van Cats weet Aspasia zich bij de vrouwen van de keizer geliefd te maken, terwijl in de tragedie van Schipper het huwelijk van Anna Boleyn fatale gevolgen heeft. Aspasia gaat over rozen, Anna over lijken.

Het spel van Schipper, zijn cadeau aan Jacob Cats voor zijn tweeëntachtigste verjaardag, speelt zich bepaald niet af binnen de voorgeschreven eenheid van tijd. De paus dreigde Hendrik in 1530 met excommunicatie en More is in 1535 onthoofd, maar op het toneel verklaart de koning Anna Boleyn voor het eerst zijn liefde, wordt in het vierde bedrijf de pauselijke bul voorgelezen, en eindigt de tragedie met de terechtstelling van Morus – alsof dat alles zich op één dag heeft afgespeeld. Daarmee weet Schipper de vaart er wel in te houden! En door zijn schetsen van geraffineerde machinaties. Anna’s moeder Elizabeth instrueert haar hoe zij de liefde van de koning en daarmee de macht over het land kan verwerven:

.        Al ’t geen ik u nu leer heb ik eer zelf beproeft.
.        Hoe straffer gy u hout, hoe hy u meer behoeft.
.        De tegenstant vermeert begeerte van te minnen,
.        De zoetheyt zo vermengt, vermeerdert zo de zinnen,
.        En wekt de liefde zo, en deze liefde baerd
.        Nu vreeze en ook ontzag, in yder naer zijn aerd.
.        Gy kent noch, Dochter, niet de krachten van uw oogen,
.        En haer aentreklijkheyt, en wat zy meer vermoogen,
.        Een grote schoonheyt doet al wat zy wil. (vs. 251-259a)

Tegelijk tekent zich het conflict af tussen de koning en zijn hoogste ambtenaar Thomas More, die zich van meet af aan schrap zet:

.        Geen reyn gemoed, het geen de Koning nu begeert,
.        Ooit medestemmen kan, hy wil de Koninginne
.        Verstooten buyten reên, door drift van geile minne,
.        En dan van Godsdienst noch verandren, wat een schant.
.        En schriklijk ongeluk hangt over Engelant,
.        Dat zo Godzalig bloeyd’ in ’t Katolijk geloove,
.        En alle Rijken in die Godsdienst ging te boven,
.        Zou daer de kettery haer voet in zetten, neen
.        Ik stem het nimmer toe, het mag niet zijn geleên. (vs. 284-292)

More stelt de macht van de kerk boven die van de staat. Hij is ongehoorzaam aan zijn koning, ‘Maer die gehoorzaemheyt zou my misdadig maken’ (vs. 330). Legitiem verzet als de wettige vorst zich ontpopt als een tiran, Jan Jacobsz Schipper weet heel goed dat hij zijn publiek daarmee een groot genoegen doet: ook na de tachtigjarige oorlog heeft men behoefte aan legitimering van de eigen opstand tegen de Spaanse koning.

Filologisch intermezzo

Hoe nuttig het is verschillende exemplaren van één editie te gebruiken blijkt bij de confrontatie van de in ongenade gevallen koningin met haar rivale. Anna Boleyn speelt de vermoorde onschuld, maar Catharina doorziet haar:

.    Kat. Gy speelt de loze, ik weet, den Koning heeft voor lang,
.        In ’t heymelijk met u gesproken op die gang. (vs. 894-895)

Dan waarschuwt zij haar: de positie als koningin die Hendrik haar voorspiegelt kan voor Anna’s geweten verregaande gevolgen hebben. De liefde van een koning corrumpeert: je bent verliefd op zijn status, en niet op hem zelf. De eer van macht en aanzien zal je de ware eer, van het gemoed, doen verliezen. Deze claus gaat in het exemplaar UBA OK 63-8699 als volgt:

.    Kat. Der Koong’en liefde smet, gy mint hen zelve niet,
.        Men mint haer grootheit wel, om ’t voordeel dat men ziet,
.        En zoekend’ in die drift inbeeldelijke eere,
.        Verliezen licht de ware en wat die meest kon deeren.

De laatste twee regels hiervan zijn niet duidelijk: wie of wat is het onderwerp en het lijdend voorwerp van ‘Verliezen’? Blijkbaar heeft de redacteur van de zetterij dit gezien, want door correctie op de pers, door het zetsel gedeeltelijk los te maken en te vervangen, kwam er een twee verzen langere tekst die men in andere exemplaren aantreft:

.    Kat. Der Vorsten liefde smet, en kleeft aen hert en zinnen,
.        Mint gy hun zelve niet, gy zult hun grootheyt minnen,
.        Om d’ingebeelde eer, en voordeel dat gy ziet
.        In al haer hoge pracht en opperste gebied.
.        En kunt ook eer en deucht, door deze drift verliezen.
.        Als gy dit wel bemerkt, zo staet ’et noch te kiezen. (vs. 904-909)

De tekst van zes verzen is veel helderder geformuleerd. Bovendien geeft de koningin hiermee te kennen dat zij hoopt dat haar rivale zich zal bedenken.

Thomas More tegenover de koning

Er volgen nog een paar passages met geweldige vondsten. Catharina ontvangt een brief waarin Hendrik haar wegstuurt. Zij leest de tekst en reageert verpletterd en verontwaardigd. Maar bij nader inzien kan zij haar ogen niet geloven:

.        Maer ’t is een gaile vonk in zijne borst geschooten,
.        Die ware liefd verteert, en valsche weêr verwekt.
.        Is ’t mooglijk dat ’et valsch meer dan het ware trekt?
.        Het schijnt nu, ik verneem ’t; maer zou het ook zo wezen?
.        Las ik dit schrift al recht, ik moet het eens herlezen,
.        Hoewel, na mijn gemoed, my geen herlezen lust. (vs. 1101-1106)

Met tegenzin zet zij zich tot close reading van de tekst, die zij zin voor zin voorziet van honend commentaar. Maar zij weet hoe machteloos zij is: ‘Het veynz’ en zwijgen past geweldig in het Hof’ (vs. 1211). De volgende pagina’s zijn gewijd aan koning Hendrik en zijn conflict met de paus en met Thomas More. De secretaris van de koning leest de pauselijke banvloek voor, een door Schipper gefingeerde tekst die wel helemaal de sfeer weergeeft van de bul die Clemens heeft uitgevaardigd. Het is een knappe en vermakelijke persiflage op het kerkelijk-juridisch jargon. En nog vermakelijker is de woedende reactie van de koning. Woede is een hartstocht die het op het toneel altijd goed doet, evenals opportunisme. Hendrik ziet zijn kans schoon om rijk te worden – en dus oorlog te kunnen voeren – door de goederen van alle kloosters te confisqueren, en barst uit in een satirische opsomming van alle geestelijke ordes die hij nu om zeep zal helpen:

.        Ik zal de Klooster-luy niet tasten aen ’er lijf,
.        Maer aen haer have en goet, en maken dat te gelde,
.        De zenuw van den Krijg, of zy ’er my meê quelde,
.        De schat van Sint Michiel, die langvergaerde kas.
.        Dat opgestapelt goud, komt my dan wel te pas:
.        Zy wisten ’t eer uyt my en mijn gemeent te trekken,
.        Nu geld die list niet meer, ik lach met al die gekken,
.        In ’t zwart, in ’t wit en graeu, en andere gewaed
.        Van rokken, kap en koord, in schijn van heylge staet.
.        Katuyzers, Sleutel-broêrs, Menimen, Augustijnen,
.        Convent-broêrs, Reguliers, Bernardijns, Capucijnen,
.        Zwart-broeders, Triniaen, Bassilers, Lazarijns,
.        Burfaldens, Castelens, Bogaerden, Iacobijns,
.        Kruys-broeders, Sophiaen, Hermijten, Guiljelmijten,
.        Constantinopelers, Preekheeren, Ioannijten,
.        Descalsers, Pierepots, de Minne en Vrouwen-broêrs,
.        En duyzend andre meer, met al de Klooster-moêrs,
.        Van Nonnen en Bagijn, Abdis, Kanonikessen,
.        Sant Agnes, Sant Lucy, en andre Patronessen,
.        Als Sante Klaer, Brigitt’, Andruda, Radegoud,
.        Sant Ursel en Heleen, die Romen heylig hout.
.        Ik schop al dat gesnor en kraem van Paperyen,
.        De Bullen van de Paus met al zijn aperyen
.        En zonder dat ik zeg wat my daer toe verplicht. (vs. 1539-1562)

Het is een tirade die het op het toneel ongetwijfeld goed doet, zeker bij een anti-katholiek publiek. Het vijfde bedrijf begint met een enorme brutaliteit van de koning. Hij beweert tegen de pater die zijn huwelijk met Anna Boleyn moet sluiten, dat hij van de paus toestemming verkregen heeft. Als de pater zo onverstandig is te vragen of hij die toestemming even mag inzien, wappert de koning met het pauselijk papier en zegt dat hij op zijn koningswoord geloofd moet worden. Wat de pater slikt: ‘’k Zal ’t zonder zien voldoen. het mogt my anders schaden’ (vs. 1755). Daarop volgt in een tableau vivant het huwelijk.

In de laatste bedrijven gaan Thomas Morus en koning Hendrik veelvuldig in discussie. Opvallend is dat de koning, die steeds door zijn hartstocht meegesleept wordt, van de auteur een zwalkend stijlregister krijgt. Nu eens is hij opgewonden, dan puberaal, soms een verwend kind en dan weer een tiranniek heerser. Thomas Morus daarentegen is de gelijkmatigheid zelve, en spreekt steeds in volzinnen die een gedegen kennis van theologie, filosofie en rechtsgeleerdheid uitstralen. Als de lezer oog heeft voor dit contrast is het spel uitermate boeiend. In het begin van het vierde bedrijf staat dit onderbouwde pleidooi van Morus:

.    Mor. Ik weet de Vorsten zijn Godts schaduwen op aerde,
.        Maer deze schaduwen en konnen niet bestaen
.        Als door haer lichamen, die anders licht vergaen.
.        Gy wilt ’t oorspronglijk beelt, waer na gy zijt geschapen,
.        Vernietigen in u: ’t is zich te veel vergapen,
.        Aen ingebeelde vreucht, die laes! al t’ydel is,
.        Dat zulk een groote Vorst zich daer aen zo vergis,
.        Wat was ’t dan met uw rijk? berooft van onderdanen,
.        Die zonder Godts-dienst weer, die hen tot plicht kan manen.
.        Geen andre steun heeft ook uw Troon en onze Kerk,
.        Daer ’t autaer wort bezocht, dat maekt uw heersing sterk;
.        En rukt gy ’t autaer weg, gy rukt u zelf de Kroone
.        Te schendig van het hooft. Tien eeuwen zijn de troonen
.        Van uw voorouderen gebleven in ’er stant.
.        Zou dan een zotte tocht, ô lijdeloze schant!
.        Dat in een oogenblik zo jammerlijk vervormen.
.        Een eeuwigknagend leet zal uw gemoet bestormen,
.        Wat is ’er toch op aerd dat meerder gruwel zy? (vs. 1237-1254)

Ook het afscheid van Morus van zijn vrouw en dochter, en zijn laatste toespraak terwijl de beul zijn bijl scherpt zijn goedgeschreven indrukwekkende passages. Zijn laatste woorden tot de beul (vs. 2339 tot 2353) zouden in elke schoolklas gelezen moeten worden. Morus sterft waardig als moralist en theoloog, maar de satiricus in hem blijft tot het laatst actief, zoals hertog Hauwert van Norfolk opmerkt:  ‘Zijn zoete spotterny verzeld’ hem tot ’et leste.’

De calvinist Jan Jacobsz Schipper heeft voor de katholieke (sinds 1935 heilige) Thomas More een passend monument opgericht.

Het spel van Jan Jacobsz Schipper is te lezen op de site van de opleiding Nederlands in Leiden:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/SchipperMorus1659.html