Minderheidstalenbeleid en latent racisme

Door Marc van Oostendorp

haagse-harry-beeldje-25-cm“Waarom lijkt iedereen in Holland (…) te geloven dat Fries een aparte taal is,” zei minister Plasterk ongeveer tien jaar geleden in een column in Buitenhof, “terwijl er in Amsterdam meer mensen zijn die Turks spreken dan in Leeuwarden die Fries spreken? Zou dat latent racisme zijn?” De column was verder vooral wat ironisch over de Friezen en hun streektaal, die volgens Plasterk niet veel meer van het Nederlands verschilde dan de de taal van Haagse Harry.

Maar er zat ook wel degelijk een serieuze vraag achter: waarom beschermen we sommige talen wel en andere niet?

Zou Plasterk nog aan die column gedacht hebben toen hij vorige week moest formuleren op een zeer kritisch rapport van de Raad van Europa over het Nederlandse taalbeleid ten opzichte van minderheidstalen? Er deugde volgens de Raad niet veel van. Aan de officieel erkende minderheidstalen – het Fries, het Nedersaksisch, het Limburgs, het Jiddisch en het Romanes – wordt te weinig aandacht geschonken. En twee talen zouden best wat meer erkenning kunnen krijgen: het Bildts en het Papiaments.

Tweederangserkenning

Die erkenning zit in Nederland ingewikkeld in elkaar. Toen ons land in de vroege jaren 90 het Europees Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden tekende, ging iedereen ervan uit dat dit alleen een middel was om de positie van het Fries van steviger te verankeren. Al snel kwam er echter een lobby op gang in de ándere provincies in het noord-oosten (met bekende politici als Johan Remkes en Henk Kamp) om de Nedersaksische streektaal ook erkend te krijgen.

Dit lukte, maar wel met een handige proviso: de erkenning betrof volgens de regering niet ‘deel 3’ van het Handvest, het deel waarin de concrete maatregelen worden opgesomd, zoals steun voor de regionale omroep en voor onderwijs in de streektaal. Alleen het Fries kreeg die erkenning ‘volgens deel 3′.

Nog iets later kregen ook het Limburgs, het Jiddisch en het Romanes zo’n tweederangserkenning.

Enigszins belachelijk

Volgens de Raad nu is het allemaal niet genoeg. Voor het Fries wordt te weinig geld uitgetrokken, en het feit dat er door bezuinigingen op het rechtsapparaat nog maar minimale mogelijkheden zijn om je als Fries bij een rechtszaak te laten bijstaan door een tolk, is volgens de Raad zorgwekkend. Tegelijkertijd vindt de Raad eigenlijk dat idee dat Nederland andere talen erkend heeft zonder er geld in te willen steken, duidelijk enigszins belachelijk.

Dan waarschuwt de Raad ook nog eens dat er haast moet worden gemaakt met het behandelen van een erkenningsaanvraag voor het Bildts; dat laatste is overigens eind vorige week gebeurd, toen minister Plasterk bekend maakte die aanvraag af te wijzen. 

Regionale overheid

Belangrijker lijkt mij echter nog dat de Raad er terecht op wijst dat sinds de recente herindeling van het Koninkrijk het Papiaments van Bonaire een taal is van ons land, en daarmee ook zorg behoeft. Dat is geloof ik een novum, dat de Raad gaat adviseren welke talen er al dan niet erkend zouden moeten worden, want eigenlijk mag ieder land dat zelf bepalen. Maar het lijkt mij ook wel terecht: de taalsituatie van bijvoorbeeld Papiamentstalige kinderen op Bonaire is wel wat ingewikkelder dan die van Limburgstalige kinderen in Venlo.

Meer in het algemeen lijken me de aanbevelingen voor de niet-regionale talen eigenlijk het zwaarst wegen. In die zin zat er wel iets in de woorden van Plasterk van 10 jaar geleden. Het Fries, het Nedersaksisch en het Limburgs hebben alle drie een redelijk sterke infrastructuur verworven, en op zijn minst de regionale overheid achter zich staan.

Andere talen

Dat alles geldt niet voor de ándere minderheidstalen. Het Jiddisch en het Romanes hebben ooit een symbolische erkenning gekregen omdat ze talen zijn die al heel lang in Nederland gesproken worden (of in het geval van het Jiddisch vooral: werden). Het is een teken van achterlijke schraperigheid dat de overheid geen cent aan die talen wil uitgeven. Voor het Jiddisch was er tot vorig jaar één dag per week een bijzonder hoogleraar actief; nadat hij plotseling overleed, is hij niet vervangen. Voor het Romanes (de taal van de zigeuners in Nederland) is er helemaal niets. Met een paar ton voor ieder van de talen zou je een studie- en documentatiecentrumpje kunnen opzetten, om een klein beetje recht te doen aan deze culturele rijkdom die ons land mede gemaakt heeft tot wat ze is.

En dat geldt op zijn minst ook voor het Papiaments en waarschijnlijk voor nog wel wat meer minderheidstalen: waarom koesteren we die niet? Waarom laten we ze maar een beetje voortdobberen? Waarom hoor je er eigenlijk nooit iemand over? Waarom hebben we wel een Meertens Instituut en een Fryske Akademy, maar geen instelling voor de andere talen van Nederland?

Zou dat niet inderdaad latent racisme zijn? Minister Plasterk?