‘k Ruk aan ’t raampje

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (101)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij
Illustratie: Susanne van der Kleij

Ik heb nooit een goede verklaring gevonden waarom melancholie soms fijn is. Waarom lees je een treurig gedicht van iemand die zegt dat ze het allemaal niet meer uithoudt? Omdat het een prettig gevoel geeft, en dat komt niet alleen omdat het gedicht zo kundig in elkaar is gezet, omdat de woordkeus zo precies is, omdat sommige regels zo welluidend klinken.

Het komt doordat er een versie bestaat van droefenis die fijn is, in ieder geval voor de lezer. Zoals Op reis van Hélène Swarth:

Gelijk een reizende, in een schoone streek,
Terwijl de trein door woud en velden vliedt,
Wel koren golven, boomen vluchten ziet,
Maar ’t eigen beeld daartusschen, roerloos bleek;

Tot zij van ’t landschap luttel meer geniet,
Wijl ’t spieglend glas, hoe ze ook dien blik ontweek,
Met de eigen oogen haar in de oogen keek,
Zoo vaak zij tuurde.. langer duldt zij ’t niet.

Smette ook een stofwolk ’t lichte zomerkleed,
Neer glijdt het raampje en binnen vliegt de rook,
Maar veldlucht streelt haar onweerkaatst gelaat; –

Zoo zie ‘k in ’t leven steeds mijn eigen leed
En ’t staren op mijzelv’ verdriet mij ook
En ‘k ruk aan ’t raampje… dat niet opengaat.

Swarth had een fabelachtige beheersing van de poëtische technieken, en je kunt Op reis dan ook gemakkelijk gebruiken om allerlei stijlfiguren aan te wijzen. Het chiasme bijvoorbeeld van woud – velden – koren – boomen in de tweede en de derde regel, dat functioneel wordt gemaakt doordat er in regel 4 vervolgens sprake is van een ‘eigen beeld daartusschen‘.

Je kunt het gedicht ook bewonderen om de manier waarop moderne techniek (een ‘vliedende’ trein die rook veroorzaakt) wordt gecontrasteerd met de natuur, hoe het leven met het leven wordt vergeleken.

Maar het indrukwekkendst is het beeld van het ‘verdriet’, de depressie, die aan de ene kant vergeleken wordt met stilstand en roerloosheid, die tegelijkertijd wanhopig ‘rukt’ aan het raampje. Je wilt de ellende van jezelf steeds in de ogen kijken wel ontgaan, maar het lukt je niet.

Juist door de indirectheid van de vergelijking komt hij eerder binnen en daardoor dan weer voel je hem zelf. Maar dit gebeurt tegelijkertijd dan weer niet op een onprettige manier: ik denk niet dat er ooit iemand echt in een depressie is gestort door een gedicht als Op reis te lezen.

In plaats daarvan zorgt het ervoor dat je je prettiger voelt, zo’n gedicht werkt troostend. Dat wordt weleens toegeschreven aan het feit dat je het gevoel herkent, dat het fijn is als je ontdekt dat iemand anders hetzelfde gevoel heeft gehad. Maar waarom werkt dat dan nog steeds als die ander al vijfenzeventig jaar dood is? En je bovendien die specifieke ervaring dat je baalde van je eigen spiegelbeeld in het treinraampje nooit hebt gehad?