In memoriam Karel Bostoen (1943-2016)

Door Johan Koppenol

Vorige week donderdag, 15 december, overleed in zijn woonplaats Leiden Karel Bostoen. Karel werd geboren en groeide op in het Vlaamse Roeselaere. Toen hij de leeftijd had om te gaan studeren koos hij echter voor Amsterdam: daar kon je Nederlands studeren in plaats van Germaanse talen. Het feit dat zijn oudere broer Guido al in Nederland was neergestreken vergemakkelijkte die stap. Aan de UvA vond Karel een leermeester in Fokke Veenstra, een erudiete docent die hem introduceerde in de complexe wereld van de renaissanceletterkunde en tijdens een studiereis naar Florence werd de basis gelegd voor zijn verdere loopbaan.

Voor zijn studie mocht Karel zich primair toeleggen op het Nederlands, dat betekende geenszins dat hij zijn blik liet inperken – het tegendeel is eerder waar. Karel was erudiet, kende zijn talen – hij deinsde er niet voor terug nog relatief laat in zijn carrière het Fries te bestuderen – en had ook in andere opzichten een internationale blik. Hij vertoefde na zijn studie twee jaar aan de universiteit van Londen en bleef, ook nadat hij in 1977 een aanstelling had gekregen aan de Leidse universiteit, actief in de wereld van de neerlandistiek extra muros en deed onderzoek naar Nederlands erfgoed in bibliotheken over de hele wereld, van Polen tot Zuid-Afrika.

Intussen was hij ook begonnen aan zijn proefschrift. In zijn studie, die hij zou verdedigen in 1987, deed Karel onderzoek naar de doorbraak van de literaire renaissance in de Nederlanden, waarbij hij het belang onderstreepte van de literaire praktijken in de kringen van Italiaanse kooplui in met name Antwerpen. Poëzie fungeerde in hun milieu als gewaardeerd relatiegeschenk en sociaal bindmiddel. Aan de hand van het werk van de Franstalige Guillaume de Poitou en de Brabantse edelman Jan vander Noot laat hij zien hoe de Italiaanse gemeenschap als model fungeerde voor de Noord-Europeanen.

Tijdens het verdere verloop van zijn studie bleef Karel zich veelvuldig richten op wat hij de ‘stiefkinderen’ van de literatuurgeschiedenis noemde. Verwaarloosde werken en auteurs zoals de Historie van Broer Cornelis, de Leidse stadsecretaris Jan van Hout, Laurens van Elstland, Johan Rademacher en Jacob Campo Weyerman: Karel bracht ze stuk voor stuk in de belangstelling, waarbij hij steeds een groot talent voor bronnenonderzoek en archiefwerk aan de dag legde: Karel heeft heel wat onbekende teksten en gegevens aan het licht gebracht.

Het onderzoek ging vanzelfsprekend hand in hand met het onderwijs. Karel betrok zijn studenten intensief bij zijn onderzoek, droeg zijn liefde voor archieven en bronnenstudie aan hen over, maar was daarnaast vooral ook een buitengewoon aardige en betrokken docent. Karel was zeer begaan met de studievereniging Nederlands en met de Leidse vereniging voor Renaissancisten Proteus. Het mooist kwam zijn betrokkenheid aan het licht tijdens studiereizen naar Florence en Wolfenbüttel. Deze reizen kenden een ideale combinatie van heel hard werken studie en sociaal verkeer. Tijdens werkbesprekingen of in een kroeg, het was met niemand anders zo genoeglijk om – nooit zonder enige ironie – te somberen over de stand van zaken in het vak of in de gekte in de wereld als met Karel. Het heeft mij en vele andere studenten gevormd.

Dat alles hield niet op na zijn pensionering: Karel bleef onderzoek doen, met name in Brugge waar hij een pleisterplaats vond. De publicaties bleven komen, en wie die productie overziet wordt getroffen door de trouw van Karel aan zijn ‘oude liefdes’: Broer Cornelis en Jan van Hout hadden nog altijd zijn aandacht. Het was dan ook allemaal nog lang niet klaar toen eerder dit jaar duidelijk werd dat Karel ziek was. Het vak verliest in hem te vroeg een innemende en geliefde collega en leermeester – hij zal zeer gemist worden.