Hugo de Groot op de zeilwagen van Simon Stevin

Door Ton Harmsen

061stevinzeilwagenIn de winter van 1601 nodigde prins Maurits een gezelschap van 28 man uit om hem te vergezellen op het uitstapje van de eeuw. De reis in de zeilwagen die Simon Stevin voor hem had gebouwd ging in razende snelheid over het strand van Scheveningen naar Petten. Onder de genodigden waren de Franse gezant Paul Choart de Buzanval, de Spaanse admiraal Francisco Mendoza (een half jaar eerder krijgsgevangen gemaakt in de slag bij Nieuwpoort) en de grote belofte Hugo de Groot, toen nog een jongen van vijftien. Een half jaar later werd Mendoza uitgewisseld voor 400 krijgsgevangen zeelieden, onder wie Piet Hein. De arme admiraal die de slag bij Nieuwpoort had verloren verloor daarmee, indirect en een kwart eeuw later, ook de Zilvervloot.

Dat kon de jonge Hugo de Groot nog niet weten toen hij 22 Latijnse gedichten schreef op de zeilwagen van Stevin. Die dertig passagiers moeten sterke nieren hebben gehad, want over het zandstrand van Scheveningen naar Petten liggen allemaal kuilen en geulen. De tocht was een spektakel waar tout Nederland over sprak. In Leiden werd in 1603 een magnifieke prent gedrukt van de wagen die over het strand zeilt, een gravure door Willem Isaacsz. van Swanenburg naar een ontwerp van Jacob de Gheyn. 22 Nederlandse gedichten, vertalingen uit het Latijn van Hugo de Groot, omringen de afbeelding. Er waren, zeker in Leiden, genoeg mensen die er hun hand niet voor omdraaiden een Latijns gedicht om te zetten in Nederlandse alexandrijnen, maar het is ook niet uitgesloten dat Hugo de Groot dat zelf gedaan heeft. Bij andere Neolatijnse dichters speelt vaak dezelfde vraag: ook van de Nederlandse vertalingen uit het Latijn van Caspar Barlaeus is het af en toe onduidelijk of hij die zelf gemaakt heeft. Soms is er een autograaf of lost een brief het probleem op.

De inhoud van de vertaalde gedichten komt in grote lijnen overeen met het Latijn. Er zijn wel opvallende verschillen, die van belang zijn voor de vraag of de vertaling van Grotius’ hand is. Het Delfts orakel heeft zijn best gedaan om met al zijn kennis van de klassieke literatuur de grootsheid van deze tocht te onderstrepen. Na een obligaat lofdicht op de prins gaat het tweede gedicht van de reeks over de vervoersmiddelen waar de antieke goden zich van bedienden. De opsomming van een aantal daarvan leidt tot de onvermijdelijke conclusie dat Maurits ze met zijn door de winden getrokken wagen allemaal achter zich laat.

De dichter nodigt de lezers uit te horen hoe de goden zich verplaatsten:

.        Hoort die nakomen sult, de Wagens vande Goden,
.        Die in een kort gedicht u werden aengeboden. (vs. 1-2)

Het Latijnse gedicht begint met Berecynthia en Attys. Berecynthia, ‘der Goden moeder’, is een oude vruchtbaarheidsgodin, die een noodlottige incestueuze verhouding had met haar zoon Attys. Leeuwen trekken haar wagen, het is te zien op een van de tableaux vivants die Barlaeus beschrijft in zijn boek over de blijde inkomst van Maria de Medicis in 1638. Berecynthia wordt soms vereenzelvigd met andere vruchtbaarheidsgodinnen, Cybele en soms met Ops – maar die hebben geen zoon die Attys heet. Het is dus niet juist dat, zoals het Nederlandse gedicht beweert,  Ops met Attys in de leeuwenwagen gereden zou hebben. Misschien heeft de vertaler dit metri causa gedaan: de naam Berecynthia kan men niet makkelijk kwijt in een jambisch vers.

.        Der Goden moeder Ops, en Attys haer gesel,
.        Door vreemde geest verwoet gaen met de Leeuwen snel. (vs. 3-4)

Adelaars vervoeren Jupiter door de lucht, op dolfijnen rijdt Neptunus (in de Latijnse versie ‘Consus’, een benaming die de vertaler misschien als te onbekend beschouwde):

.        Met Adlers Iuppiter placht door de locht te varen.
.        Dolphijnen trecken voort Neptunum door de Baren. (vs. 5-6)

De wagen van Phoebe, de godin van de maan, zou door muilezels getrokken zijn toen zij verliefd werd op Endymion. Diana heeft haar herten, Venus een zwanenwagen en als die er niet zijn haar duiven, en ook Apollo en de muzen bedienen zich van zwanen:

.        De Muylen voeren met de schoongehoornde Maen,
.        Als sy wil na het bedt Endymionis gaen.
.        Diana tot haer vlucht de Herten selfs gaet jagen.
.        In witte Duyfkens heeft Vrou Venus haer behagen:
.        Haer mede staet ten dienst den schoongeveerde Swaen:
.        Die oock met Phoebus wil en met de Nymphen gaen. (vs. 7-12)

De Zon heeft een paardenspan, evenals Mars, en de haan is aan Mercurius gewijd:

.        Mars en den gulden Son doen hare tocht met paerden.
.        Den dagecrayer houdt Mercurius in waerden. (vs. 13-14)

Dan komen maar liefst vier goden die gebruik maken van slangen: Ceres, haar beschermeling Triptolemus die van haar de kunst van de landbouw leerde en daarmee welvaart bracht, en Aesculapius of Asclepius, de god van de genezing wiens esculaap nog altijd het logo van de dokter is. Tenslotte de god die in het Latijn wordt aangeduid als ‘sator fugacis anni’; de vertaler weet dat De Groot Saturnus bedoelt:

.        Triptolemus wel eer die t’ploegen heeft versint,
.        En Ceres als sy socht Proserpinam haer Kindt,
.        En Esculapius met Slangen heeft gevaren,
.        Als oock Saturnus doet den Vader vande Iaren. (vs. 15-18)

De Latijnse versie noemt nog Juno met haar pauw, en tenslotte Lyaeus, een bijnaam van Bacchus, die in zijn tijgerwagen India veroverde met een gevolg van menaden in hindevellen (‘huydt der Hinnen’ heeft dus niets met kippenvel te maken):

.        Lyaeus t’hooft gecranst met Wijngaerdbladren bandt
.        Met Tygren heeft gereen door t’Indiaensche landt,
.        Met al sijn groot gevolgh der Satyrs wildt van sinnen,
.        En t’leger Maenadum gekleet met huydt der Hinnen.
.        Wat is Slang, Vogel, Visch, Muyl, Hert, Leeu, Tygre, Paerdt?
.        Graef Maurits is alleen die met de Winden vaert. (vs. 19-24)

Met het voorlaatste vers overtreft de vertaling het origineel, dat een eenvoudige conclusie heeft: ‘Unum Mauritium tulêre Venti’, alleen Maurits is door de wind gedragen. De vertaler laat daar een mooie asyndetische samenvatting van het geheel aan voorafgaan, waarin hij in één vers acht dieren opsomt. Een retorische vraag: wat hebben al die beesten te betekenen? er is er maar één die met de wind vaart.

Enkele belangrijke afwijkingen van het origineel dus bij deze vertaler, maar het is niet mogelijk uit te maken of dit een redacteur van de uitgeverij is, of Hugo de Groot zelf, die zijn kennis van mythologie nog wat verder en mooier heeft willen etaleren. Wel lijkt mij het Nederlands soms beter dan het zeer beknopte Latijn: de veertien goden zijn duidelijk gemarkeerd. Het raadselachtige optreden van Ops maakt de vertaler goed door de obscure Consus gewoon Neptunus te noemen, en de enumeratio in het voorlaatste vers is een dichterlijke vondst.

Argonauten in Scheveningen

Het negende gedicht begint met de vermelding van een gebeurtenis die kort daarvoor grote indruk had gemaakt: in Katwijk was een enorme walvis aangespoeld. Op afbeeldingen is te zien hoe de Katwijkers rondlopen over het massieve lichaam. Maar dit was een kleinigheid vergeleken met de indruk die de wagen van Stevin maakte. Als hij die ziet langsvliegen vraagt de zeeman zich af of dit gevaarte niet groter is dan het schip van de Argonauten, die met de Argo in Colchis het gulden vlies gingen halen. Dit is de meest eervolle vergelijking voor de zeilwagen die te bedenken is: de Argo is het bekendste en heldhaftigste schip uit de oudheid. Door de Argo te noemen maakt Grotius van de dertig opvarenden (onder wie hij zelf) Argonauten, of zelfs meer, want de ‘currus veliferus’ is nog groter dan de Argo. Pallas Athene had de Argo gebouwd – zij is de godin van de zeevaart. Zij deed dat ter ere van haar oom Poseidon, de god van de zee.

.        Doen hier de Walvisch lagh so groot schier als het strandt,
.        Daer Catwijck houdt den naem van t’oude Vaderlandt,
.        En sagh men nergens na den Zeeman so verschieten,
.        Als doen hy vliegen sagh de Wielen met de sprieten.
.        Hy seyd’ is dat een werck als Argo, of noch meer,
.        Dat Pallas heeft gemaect haer grijsen oom ter eer?
.        Is dit de Wagen niet, waer mee den Heer de baren
.        Met sijnen drietandt heeft laetst over t’landt gevaren,
.        Doen al het volck verschrickt, als voor den jongsten dagh,
.        Den omgeroerden grondt van d’Aerde beven sagh? (vs. 1-10)

De zeeman ziet dan onder het vaantje op het schip de nimfen dansen, hij ziet de zeegod Triton met zijn hoorn de golven tot kalmte manen en hij ziet Boreas en Zephyrus, de goden van de noorden- en de westenwind, naar hun geliefden streven. Erichthyn betekent ‘dochter van Erichtheus’, een koning van Attica die weigerde zijn dochter Orithyia met Boreas te laten trouwen, waarop hij haar ontvoerde. Zephyrus ontvoerde Chloris, die de godin van de bloemen werd. Aeolus, de god van de winden, bewaarde deze in leren zakken die de vertaler met ‘flesschen’ aanduidt, een betekenis die het woord fles toen inderdaad kon hebben.

.        Sie ik de Nymphen niet daer onder t’vaenken springen,
.        En Triton op den hoorn met heesche stemme singen?
.        T’mach zijn dat Boreas Erichthin dien hy mint,
.        Of Chlorin Zephyrus gaet soecken met sijn wint.
.        T’mach zijn dat Aeolus met flesschen is gecomen
.        Alhier, en van Neptuyn sijn afscheyt heeft genomen.
.        Hy rade meest al mis. dan een ding was gewis,
.        Want dit een Wagen doch der groote Goden is. (vs. 11-18)

Godsdienstles voor zeelieden

De Nederlandse poëzie van Hugo de Groot is, evenals zijn Latijnse poëzie, gedeeltelijk uitgegeven op de site van de opleiding Nederlands in Leiden. Wat nog ontbreekt is het derde tot zesde boek van het Bewys van den waren Godsdienst, door Grotius geschreven om de zeevarenden van bijbelkennis te voorzien, zodat zij het christelijk geloof in Indië konden verbreiden. Zoals de uitgever vermeldt:

Zyn ooghmerk was zynen landtsluiden, inzonderheit die de zee bouwden, met dit werk te dienen: op dat ze hunnen tydt, in de leedigheit der lange zeereizen, nuttelyk mogten besteeden, en zich van kennis voorzien, om hunnen Godsdienst te konnen verdeedigen; den ongelovigen, den Heidenen, Jooden en Mahumetanen, van de zaalighmaakende waarheit t’ overtuygen, en ’t Christenryk verder uit te breiden.

Dit is verreweg de langste tekst die De Groot in het Nederlands schreef. De rest omvat enkele verzen naar aanleiding van zijn ontsnapping uit Loevenstein, en een ‘Klaghte der Vrouwe van Mechelen’ waarin de maîtresse van prins Maurits een minder vrolijk beeld van de vorst geeft dan de zeilwagengedichten.

De Latijnse gedichten van Hugo de Groot:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Latijn/Grotius1670.html

En de Nederlandse van Hugo Grotius:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Latijn/GrotiusNederlands.html