Het toppunt van retorica: Sophocles’ Philoctetes

Door Ton Harmsen

063philoctetesHoe meesterlijk de Griekse tragedieschrijver Sophocles ook is, in de Nederlandse renaissance is hij een ondergeschoven kindje. Cornelis van Ghistele, die ook Ovidius en Terentius vertaalde, zette Sophocles’ Antigone over uit een Latijnse versie (1556). Verder bracht de zestiende eeuw niets voort, behalve de vertaling van Ajax in het Latijn door Josephus Justus Scaliger (1574). In de zeventiende eeuw had Sophocles minder te klagen. Vondel vertaalde drie van zijn zeven tragedies: Elektra (1639), Koning Edipus (1660) en Herkules in Trachin (1668). Pas negentig jaar later volgde Philoctetes, vertaald uit het Frans door Jacobus Stamhorst. Die Franse bewerking door Chateaubrun had van het originele stuk van de Griek geen spaan heel gelaten. Het Franse classicisme met zijn galante gesprekken, zijn strijd tussen liefde en eer en zijn afkeer van onwaarschijnlijke, en vooral van bovennatuurlijke zaken heeft geen enkel begrip voor de rauwe werkelijkheid die Sophocles in zijn treurspelen schildert. En de Nederlandse pendant, het Frans-klassicisme, was in dit opzicht nog erger.

Het Griekse spel heeft vijf personages, allemaal heren; Chateaubrun voert ook nog een aantrekkelijke dochter van Philoctetes op, zodat de strijd tussen liefde en eer zijn gang kan gaan. Na een gesprek met haar droomt Pyrrhus weg, ook al wijst de scheepskapitein hem op zijn plicht; Stamhorst schuwt geen enkele van de Frans-klassieke clichés. Cephize verenigt de charmes van de drie Gratiën in zich:

.        Pyrrhus. Zie daar ’t eenvoudig schoon der drie bevalligheden,
.                Met all’ de aanminnigheên, die immer haar bekleedden.
.        Demas. Dat schoon gelaat, Mynheer, behaagde aan uw gezicht;
.                Maar denk, datge aan den Griek veel dierder zyt verpligt.
.        Pyrrhus. De schoonheid van Heleen deed twintig Vorsten treuren:
.                Zy was nochtans meer haat, dan liefde, waard te keuren.
.                Cephize, integendeel, voegt by ’t verrukkendst schoon,
.                De wondre aanvalligheid, die de onschuld spreid ten toon.
.                ’t Zielroerende verhaal van ’s Vaders droevig kwynen,
.                Deed haar verheven deugd in vollen luister schynen.
.                                (Stamhorst, vs. 253-262)

Nog net voor het eind van de eeuw zette Abraham Louis Barbaz deze mishandeling weer enigszins recht: in 1793 vertaalde hij het spel, eveneens uit het Frans, maar deze keer naar de vertaling van De la Harpe die de Griekse tekst redelijk volgt, ook al kan hij niet nalaten de verhaallijn te moderniseren. Omdat volgens de ‘doctrine classique’ lyrische elementen niet gewenst zijn in een tragedie schrapt hij alle koorzangen, en omdat in de laatste scène alle spelers op het toneel moeten staan blijft Odysseus anders dan bij Sophocles tot het laatst op het toneel.

Philoctetes is wel de meest indrukwekkende tragedie die Sophocles schreef. Het is het verhaal van vriendschap en verraad, kracht en slimheid, hoogstaande idealen en nietsontziende ambitie. Geen andere tragedie die de retorica zo uitputtend gebruikt: dat kan men overlaten aan Odysseus. Deze listige macchiavellist gaat over lijken, en krijgt zijn zin ook als hij alle schijn tegen zich heeft en alle sympathie heeft verloren.

Op weg naar Troje is de titelheld Philoctetes tien jaar geleden door een adder in zijn voet gebeten en gek van de pijn door zijn makkers achtergelaten op het eiland Lemnos. Daar woont hij alleen, in lompen gehuld. Dankzij de onoverwinnelijk makende boog die Hercules hem gegeven heeft kan hij wild vangen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Zijn eenzaamheid heeft hem rancuneus en verbitterd gemaakt, vooral tegen Odysseus die weigerde hem mee te nemen omdat zijn gegil en gehuil ieders rust verstoorde.

Maar nu heeft het orakel gesproken: Troje kan alleen overwonnen worden als Pyrrhus (in het Grieks Neoptólemus genoemd), de zoon van de pas gesneuvelde Achilles, naar Troje komt met de boog van Hercules. Odysseus haalt Pyrrhus op en vaart met hem naar Lemnos, waar hij de jongeman inlicht over hun opdracht: zij moeten zich meester maken van de boog van Philoctetes. De argeloze Pyrrhus verwacht een spannend gevecht of een gesprek met goede argumenten; Odysseus legt hem uit dat Philoctetes onoverwinnelijk is met zijn boog, en dat zijn haat tegen zijn landgenoten zo groot is dat een goed gesprek niets uit zal halen. Hij heeft een list voorbereid: Pyrrhus moet doen alsof hij net uit Troje terugkeert, verraden en verbitterd omdat Odysseus – en dat is ook de waarheid – zich de wapenrusting van zijn gesneuvelde vader heeft toegeëigend.

Odysseus moet alle zeilen bijzetten om de eerlijke en ambitieuze jongeman ervan te overtuigen dat deze leugens om bestwil hem niet kwalijk genomen zullen worden. Diens tweestrijd is uitermate spannend; uiteindelijk zwicht hij, wat betekent dat hij zijn leugenverhaal moet doen aan Philoctetes. Hij moet Odysseus afschilderen als een duivel en Philoctetes voorliegen over het doel van zijn tocht.

In Sophocles’ Electra dist de pedagoog een verhaal op over hoe Orestes bij een wagenren om het leven zou zijn gekomen. Ook dit is een leugen à l’improviste, en, als ter plekke uit de duim gezogen ooggetuigenverslag, een voorbeeld van bewonderenswaardig improvisatietalent. Maar veel knapper is de prestatie die Pyrrhus moet leveren: tegen zijn zin moet hij een verhaal vertellen waarin hij koelboedig de feiten verdraait om Philoctetes zijn boog af te troggelen. Terwijl hij juist op weg is naar Troje, doet hij alsof hij daar teleurgesteld van terugkeert omdat hij er door Odysseus vernederd en benadeeld is. Barbaz vertaalt dit zo:

.        Ik kom noch naauw’ van boord, toen ik in’t ronde vind
.        Een legermagt, door hoop en blydschap schier ontzind.
.        Elk zweert met drift dat hy Achilles ziet herleven.
.        Helaas! hy was niet meer!… Ik, door myn rouw gedreven,
.        Breng aan zijn heilige asch de hulde van myn hart;
.        En, ’t oog noch nat betraand door myn gerechte smart,
.        Spreek ik de hoofdliên aan, en eisch van hen te gader
.        Het wettig erfdeel weêr van myn’ doorluchten vader.
.        Wat was hun antwoord, goôn! ,,ô Ja, het is uw deel;
.        ,,Herneem, dat goed vry, prins! beschik daarvan geheel;
.        ,,Maar ’t wapentuig des helds viel in een anders handen:
.        ,,Ulysses kreeg dien prijs.” Door zulk een’ hoon aan’t branden,
.        Weende ik uit bitsche spyt, en sprak, op hoogen toon:
.        ,,Dat tuig behoort aan my, ’k bezweer ’t u bij de goôn!
.        ,,En op wat schynrecht dorst een vreemdling zich beloven
.        ,,Mij stout dat wapentuig, dien eedlen schat, te ontrooven?”
.        ,,My, sprak Ulysses toen, wierd hy met recht besteed:
.        ,,Hy was het loon des diensts, dien ik den Grieken deed
.        ,,Toen ik het leger, en uw’ vader zelfs, behoedde.”
.        Op die vermeetle taal, vermeesterd door myn woede,
.        Kon ik niet langer ’t vuur des fellen toorns weêrstaan,
.        En dreigde ’t Grieksche volk om daadlijk heen te gaan,
.        Zo ik geen recht verwierf ter wraak’ van ’s roovers prooije.
.        ,,Gy, jongling! zegt hy my, gy waart geenszins voor Troje,
.        ,,Gy deed geen dienst, en dreigt! Waan niet op Scyros strand
.        ,,Te keeren met dien buit: hy komt u nooit ter hand.”
.        De hoofden van het heir, Ulysses vloekgenooten,
.        Verklaren zich voor hem, en durven ’t recht verstooten;
.        En ik, door zulk een’ hoon tot in de ziel doorboord,
.        Ik, schaamteloos beroofd van ’t geen my toebehoort,
.        Ik ga den lagen stoet dier koningen verlaten;
.        Doch ’k moet Ulysses min dan Atreus zonen haten:
.        Zy zyn te straffeloos tot alle kwaad bereid,
.        Beschermers van bedrog en vuige onbillikheid.
.        Hun snoodheid weet elks hart tot snoodheid aan te raden,
.        En ’t misbruik van gezag baart alle gruweldaden.
.        Dat elk, die vyand is van hun gevloekt bewint,
.        De vrind van Pyrrhus zy, en ook der goden vrind!
.                                (Barbaz, vs. 339-376)

Pyrrhus speelt zijn rol met overtuiging, hij laat zien dat hij goed in de retorica is opgevoed en dat hij een gewillige leerling is van de listige Odysseus. Zo wint hij het vertrouwen van Philoctetes, nodig om de boog in handen te krijgen. Totdat een enorme wroeging zich van hem meester maakt: deze taktiek druist helemaal in tegen zijn ridderlijke aard. Hij bekent Philoctetes het bedrog en geeft hem zijn boog terug. Daarop krijgt hij natuurlijk de volle laag van Odysseus, maar die is machteloos nu zijn boze opzet aan Philoctetes bekend is. En dan gebeurt wat alleen op het toneel kan: Hercules verschijnt als deus ex machina, hij roept Philoctetes op zijn woede te matigen en de boog aan Pyrrhus mee te geven.

T.B.L. Webster verwerpt in zijn Sophocles-editie smalend een gewaagde theorie over die laatste scène, die volgens mij juist heel waarschijnlijk is en goed aansluit bij de zin van dit treurspel: het is niet Hercules die in de slotscène optreedt maar de vermomde Odysseus. Het zou passen bij diens karakter: alles heeft hij verloren doordat Pyrrhus zich niet door hem liet overtuigen, maar hij laat zich niet uit het veld slaan, en grijpt naar een nieuw bedrog, dat de goden tart maar hem wel zijn zin geeft. Odysseus speelt bij Sophocles in de laatste scènes geen rol meer, en heeft dus alle tijd om het uiterlijk van de god aan te nemen – de beschrijving van zijn metamorfoses in de Odyssee maken dit zeer acceptabel. De echte of zogenaamde godheid spreekt als volgt:

.        Hou stand! herken in my Alcides en uw’ vrind.
.        Ik daal, om u alléén, uit ’s hemels hooge zalen,
.        Waar ’k, naast de goden, in onsterflyke eer mag pralen.
.        Gy weet wat ik daartoe grootmoedig heb bestaan:
.        Gy moet uw deugd doen zien door even groote daên.
.        Uw lot is, op het spoor van Herkules te streven.
.        Volg dezen jongen held, waar hy zich zal begeven.
.        Gy zult eerlang, aan ’t hoofd van Griekens oorlogsstoet,
.        Uw lauren zien geverfd met Paris rookend bloed.
.        Uw doodlyk schietgeweer zal hem het licht ontrukken,
.        En ’t schuldige Ilium in ’t nietig stof doen bukken.
.        Aan Pyrrhus en aan u bereidde ’t lot éénmaal
.        Dien langverwachten roem, die grootsche zegepraal.
.        Gaat beiden u den weg tot zulk een glori banen.
.        Vertoon aan Peans oog hen roof der Phrygianen;
.        Maar, als ge in zyn paleis verwinnaar wederkeert,
.        Als gy in Eta koomt, met heldenloon verëerd,
.        Wyd op Alcides graf de bloedige eerstelingen,
.        Aan my en myn geweer verschuldigde offeringen.
.        Ga, Eskulaap’ zal u genezen door zyn kunst.
.        Dank met ontzag de goôn voor hun betoonde gunst.
.        Eerbiedig hen altoos; zy doen uw luister dagen;
.        Een waar godsdienstig hart kan hen op ’t hoogst behagen;
.        En de onbevlekte deugd, het eêlst geschenk der gôon,
.        Sterft geenszins met den mensch, maar keert tot ’s hemels troon.
.                                (Barbaz, vs. 1016-1040)

In het spel van Stamhorst heeft deze indrukwekkende redevoering geen pendant: het Frans-klassicisme verwerpt godenverschijningen op het toneel. Bij hem ontpopt Philoctetes zich op de laatste bladzijde als de ideale schoonvader, die zich met Odysseus verzoent. Daarmee mag aan de poëtische gerechtigheid zijn voldaan, maar het spel gaat uit als een nachtkaars. En men wéét dat het zo niet gegaan is.

Over Barbaz verscheen eerder dit jaar een monografie van 1830 bladzijden: Hans van der Veen, Het leven en werk van Abraham Louis Barbaz 1770-1833. Hippolytushoef 2016.

De Philoctetes van Barbaz is te lezen op de site van Ceneton:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/BarbazPhiloctetes1793.html

Evenals die van Jacobus Stamhorst:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/Philoctetes1758.html