Etymologie: haar

Door Michiel de Vaan

haar bn. ‘scherp’, dial. ‘droog, schraal’; zn. ‘snede van een zeis’
haren ww. ‘scherp maken’

Mnl. haren ‘scherpen’ (1343-1346), Nnl. aanharen (1811), haren ‘scherpen, uitkloppen van de snede van de zeis’ (1869). In overdrachtelijke zin Mnl. haeren ‘guur weer zijn’ (ca. 1410), Nnl. haeren ‘verdorrend of verzengend waaien’ (1588), verhaeren ‘door kou of hitte verzengd worden, door schraalheid openspringen (van de huid of lippen)’ (1534), hairen ‘branden (in de keel)’ (1805), afl. haring (1573) ‘rijp, rijm’.

Mnl. hare ‘scherpe, koude wind’ (1350–1420), Nnl. haere ‘verdorrende nachtvorst, scherpe wind’ (1588), dial. hare ‘droogte’ (Overijssel), harig ‘pijnlijk’ (NO-Nl.), har(r)ie ‘droge, koude wind’ (West-Vlaanderen). Nnl. dial. haar ‘snede van de zeis’ (Voerstreek).

Verwante vormen: Mnd. haren ‘scherp zijn; scherp zijn (van de wind)’, herwen ‘bitter maken’, Mhd. har, herwe ‘scherp, bitter’, Mohd. herb, Ripuarische en Moezelfrankische dialecten Har ‘snede (van zeis e.d.); haarhamer voor het scherpen van de zeis’; MoWFri. harch ‘dor, weinig opbrengend’ (van grond), OE (ge)hyrwan, gehierwan ‘bespotten, verachten’.

Voor het Proto-Germaans kunnen we een bn. *harwa- ‘scherp’ en een afgeleid ww. *harwjan ‘scherpen’ reconstrueren. Van het bn. is het vrouwelijke zn. *harwō(n)- afgeleid dat we in Mnl. hare vinden. Voor de ontwikkeling van wa-adjectieven in het Nl. vergelijk ook gaar uit *garwa-. De verdere etymologie van *harwa- is onzeker. Puur formeel kan het op een Indo-Europees bn. *kor-u- of *kor-wo- teruggaan. Dat kan een afleiding met de betekenis ‘snijdend, scherp’ zijn van het werkwoord *(s)ker- ‘scheren, snijden’ (zie scheren), waarvan vaak woorden voor ‘huid’, ‘leer’ en ‘bast’ afkomstig zijn, zoals Lat. corium ‘huid’, Russisch korá ‘bast’ en Oudperzisch carman- ‘huid, leer’.

N.B.: Nnl. haarscherp ‘zeer scherp, vlijmscherp’ (1863: in dezelfde hand hield hij een haarscherpen langen dolk) wordt terecht door het WNT als samenstelling met haar ‘hoofdhaar’ gezien. Het moet qua betekenisopbouw worden opgevat als ‘met een snede zo dun als een haar’ (dus niet: ‘zo scherp als een haar’), vergelijk haarzuiver (1903) ‘zuiver tot op het kleinste haartje’ (niet: ‘zo zuiver als een haar’). Haarscherp kan niet ‘zo scherp als de snede van een zeis’ betekenen (vgl. vlijmscherp [1869] ‘zo scherp als een vlijm’), omdat het zn. haar ‘snede van de zeis’ bijna nergens bekend was.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Etymologie: haar

  1. Maartje Lindhout schreef:

    Interessant!

Reacties zijn gesloten.