Johan de Brune: Gesuyckert met goe tael, gekruydt met scherpe reden

057bruneemblema27Door Ton Harmsen

Constantijn Huygens is een Hagenaar, maar zijn hele leven lang heeft hij ook iets met Zeeland. Het begon toen hij nog jong, ambteloos en onbekend was: de Zeeuwse pensionaris Jacob Cats vroeg hem bij te dragen aan de gedichtenbundel Zeeuwse nachtegaal. Ook Johan de Brune de Oude, die Cats als pensionaris zou opvolgen, leverde werk voor de lyriekbundel die in 1623 de grote literaire gebeurtenis was. De twee gedichten die Huygens inzond waren te lang, maar geweigerd zijn ze niet: ze verschenen zelfs al een jaar eerder daar in Middelburg, bij Jan Pietersz. van de Venne. ’t Voor-hout en ’t Costelick Mal waren de eerste grote stappen van de Hagenaar in de wereld van de dichtkunst. De drie hebben altijd contact gehouden als diplomaten, dichters en vrienden.

Meer dan andere literatoren raakt dit drietal gefascineerd door spreekwoorden, die in die tijd in heel Europa de status hebben van een volwaardig literair genre. Spreekwoorden spreken het vernuft aan. Humanisten systematiseren, rubriceren, vertalen, variëren. Cats gebruikt duizenden spreekwoorden, alleen al in zijn Spiegel van den ouden en nieuwen tyt (1632) staan er 1600. De disticha en kwatrijnen die Huygens in 1658 als ‘Spaensche wysheit’ publiceert is de vertaling van 1309 Spaanse spreekwoorden. Een jaar eerder toont De Brune’s laatste boek Banket-werck van goede gedachten de onverminderde voorliefde voor spreekwoorden die vrijwel al zijn publicaties kenmerkt.

Het spreekwoord heeft natuurlijk een component van volkswijsheid, maar het heeft zich ook ontwikkeld als een humanistisch genre. Die status dankt het vooral aan het werk van Erasmus, die in zijn Adagia 4151 Latijnse en Griekse spreekwoorden verzamelde. Met een diepgaand commentaar gaf hij die citaten een nieuw leven, door toepassing op godsdienstige en maatschappelijke zaken, onderzoek naar filologische achtergronden en vergelijking met andere spreekwoorden. Hij ontleent ze aan alle hoeken van de klassieke letteren. Zijn inleiding op de Adagia is een gefundeerde beschouwing over de definitie, het nut en de toepassingsmogelijkheden. Zowel voor het onderwijs als voor het verspreiden van gedachten is het spreekwoord voor Erasmus een uiterst effectief instrument.

Het soort uitleg dat Erasmus geeft, eist veel eruditie en veel kennis van moraalfilosofie en theologie. Zijn explicaties van de spreekwoorden dijen vaak uit tot een persoonlijke beschouwing. Tien daarvan zijn opgenomen in de editie van Dirck Pietersz Pers. Ook de drie Nederlandse auteurs-diplomaten beschikken over rijke intellectuele bagage, maar zij passen hun eigen methodes toe. In het boek dat Johan de Brune in 1636 publiceert, Nieuwe wyn in oude le’er-zacken, berijmt hij ruim 6000 spreekwoorden zonder commentaar. Zijn verdienste is dat hij ze systematisch aanbiedt door ze naar hun inhoud te groeperen over 188 hoofdstukken. Het Bancket-werk, dat hij in 1657 publiceert, hanteert weer een andere techniek, eigenlijk een tussenweg tussen zijn Nieuwe wyn en Erasmus’ Adagia: in korte sketches geeft hij de spreekwoorden een natuurlijke en begrijpelijke context. Dat sprak Huygens aan, en daarom schrijft hij in 1657 met kennelijk plezier dit lofdicht:

.                                              OP HET
.                                    BANCKET-WERCK
.                                       Vanden HEERE
.                              JOHANNES de BRUNE.

.        Soo doorgoed is de Ziel, die in de Brune woont:
.        In ’t rijpste van sijn’ tijd heeft hy door Veld en Steden
.        Het Konincklick gesangh en Lessen en Gebeden,
.        Heel Syons Heiligheit sijn Vaderland verthoont.

.        Nu is hy oud: maer siet hoe hyd’er op verschoont,
.        En met een Achternae van stichtelicke seden,
.        Gesuyckert met goe tael, gekruydt met scherpe reden,
.        De Maeltijd van eertijds soet en mild-dadigh kroont.

.        Tast toe, en spijst uw’ Ziel met serpe leckernijen:
.        ’t Is soetigheit, die tot geen’ Gal en sal gedijen,
.        Maer heyligh bitter tot uw’ welvaert op-gerecht.

.        Soo ghy dan ergens wat meer pepers vindt in ’t knauwen,
.        Denck aenden ouden ernst van die het schaft, en seght,
.        Dat was de Bruynes werck, dit komt mij vanden grauwen.
.                                                  (Bancket-werk, fol. *4v)

Dit is geen gelegenheidsvers uit beleefdheid, maar een goed onderbouwde karakterisering van het werk van De Brune. Uit het handschrift van dit gedicht weten we dat Huygens het al op 25 juni 1656 schreef, een teken van voortdurende betrokkenheid. Bij het lezen van het laatste vers is het nuttig te weten dat het WNT bij de definitie van ‘grauw’ als betekenis 1.c geeft: ‘Door jarenlange ervaring gescherpt of beproefd.’ De ‘grauwe’ is dus de rijpe en door zijn ouderdom ervaren De Brune. Het lofdicht staat vol verwijzingen naar diens werk: de Zielgerechten, de Psalmen van David en het Hooglied van Salomon zijn herkenbaar, en Huygens neemt ook de voedselmetafoor over die De Brune graag gebruikt: het Banket-werk is geen feestmaal, maar het maakt de geest gezond (bij banketwerk moet men niet denken aan de banketbakker of de banketstaaf, maar aan banket in de zin van feestelijke maaltijd). Huygens noemt het werk een ‘Achternae’ (toetje), wellicht een toespeling op de Epidorpides (desserts) van Julius Caesar Scaliger, een omvangrijke bundel korte, meestal zeer moralistische katholieke gedichten uit 1573 waarvan de protestant De Brune een ruim aantal met toegewijde bewondering heeft toegepast in de ‘wtleggingen’ van zijn Emblemata van 1624. Scaligers zoon Josephus Justus doceerde in Leiden van 1593 tot 1609. Om deze coryfee persoonlijk te ontmoeten moest je van goeden huize komen, maar alle studenten spraken over hem. Scaliger jr. heeft de gedichten van zijn vader aan de studenten aanbevolen. Zij kenden dus de Epidorpides (desserts), een op de maaltijd geënte term, zoals er meer waren: de Deipnosophistae (‘maaltijdsofisten’) van Athenaeus is het bekendste voorbeeld. In die traditie noemt De Brune zijn verzameling spreekwoorden-met-korte-toelichtingen Banket-werk, niet van tongen of magen, maar van goede gedachten.

Johan de Brune wordt gerekend tot de ‘nadere reformatie’, een stroming die het calvinisme in het dagelijks leven probeert in te bedden en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kerk serieus neemt. Dit blijkt uit de belangstelling voor politieke vraagstukken die De Brune aan de dag legt, vooral in zijn traktaat Grond-steenen van een vaste regieringe (1621). De last van de zonden waar de mens onder gebukt gaat associeert De Brune in zijn Emblemata met mannen die een zware vracht vervoeren. Calvinisme leidt vaak tot de overtuiging van het eigen gelijk en het ongelijk van alle anderen, maar Johan de Brune heeft een open oor voor anderen die pretenderen de waarheid te spreken. Ook dat heeft hij met Huygens gemeen. Zij beschouwen de waarheid niet als hun persoonlijk bezit. In paragraaf 148 van het Bancket-werk:

.                                                CXLVIII. Waerheyd.

Daer de waerheyd is, al waer ’t oock in een Turk of Tarter, daer moet zy ghelieft, en op haer schoonsten dagh gestelt werden. Veel teere zieltjes zijn schouw van een paeps of arminiaens boeck te handelen: maer in die leeme en verachte hutjens, woonen oock Goden: gelijck de Philosoof sprack. Dat onze passien niemand onbesuyst op ’t lijf en loopen: maer laet ons de honigh-rate zoecken, tot binnen in de kele van de leeuw. [Bancket-werk deel 1, p. 45-46]

Niet alleen de grootmoedige ruimdenkendheid van de oude Zeeuwse calvinist maakt deze paragraaf opmerkelijk, het is ook de manier van spreken. Al in zijn vroege werk Emblemata schrijft De Brune trots in de inleiding dat hij ‘de Attische zoetigheyd met de Laconische kortheyd’ weet te mengen. Zijn stijl balanceert hij zorgvuldig uit. Ciceroniaanse gezwollenheid is hem vreemd, het liefst formuleert hij zijn mening met korte zinnen. Die eclectische aanpak maakt zijn proza ongewoon levendig en boeiend: hij kan op dezelfde bladzijde Laconisch-beknopt zijn als Hooft en Attisch-welluidend als zijn neef Jan de Brune de Jonge.

In embleem 3, ‘Dit lijf, wat ist, als stanck en mist?’ dat de zinloosheid van liefde en liefdespoëzie wil aantonen kijkt De Brune naar een minder goddelijk aspect van de mensheid. Als de mens ter wereld komt is hij hulpeloos en machteloos:

Andere ghedierten en zijn zoo haest niet gheworpen, of uyt haer schaele ghekropen, zy loopen stracks, uyt haer zelven, naer haer voedssel; en ghelijck zy haer kleeren gemaeckt, zoo vinden zy oock de tafel al gedeckt. Maer dit erbarmigh schepssel, naeckt en kael, gantsch hulpeloos van zich zelven, moet daer jaren en daghen, in zijn eyghen stanck en vuyligheyd ligghen. Zijn liessens moeten werden gheviert, zijn oorkens ghereynight, zijn oxels, jae alle zijn ledekens, moeten met pluyssels en doeckskens bezet zijn; of anders moest het in draght versmelten, en in zijn vuyligheyd verrotten. (Emblemata of zinne-werck, p. 22)

In dit betoog wijst hij alle liefdespoëzie, die traditioneel de schoonheid van de vrouw bezingt, af. Voor zijn opvattingen over liefde hoeven we hem niet te lezen, maar wel omdat hij de eerste Nederlander is – eerder dan zijn jonge neef van de veel frivolere essayistische bundel Wetsteen der vernuften (1644) – die een unieke essayistische stijl hanteert: een combinatie van eruditie en persoonlijke ervaring in vloeiend proza, te vergelijken met de prozastijl van Montaigne in zijn Essais. En bij alle calvinistische ernst valt er vaak ook te lachen bij De Brune de Oude. Hij besluit zijn moralistische paragraaf over de oorzaken van luiheid met een prachtig Spaans spreekwoord dat hij na een humoristische inleiding over zouteloze zoutzakken kort en bondig vertaalt:

.                                                CCCLXI. Luyaerds.

Het vuyr en maeckt gheen vuyrighe of wackere menschen, maer traghe en koude leuyaerds; die als loome zout-zacken aen den heyrt ghenagelt zitten; daer in onghelijck, dat zy gheen zout en hebben, en al de pekel haer ontloopen is. Het bedde is van ghelijcke kracht, ten aenzien van die vadsighe slaep-ratten. Een leuyen aers en een warm bedde zijn zulcke mackers, dat-ze by naer onscheydbaer zijn. De Spaignaerts voegen-der de liefde of minne by, als zy zegghen,
    El fuego, el letto, y el amor, No dizen, ve te a tu labor.
        Vuyr, bedd’ en liefde trecken sterck,
        Gheen van die zeght, gaet naer uw werck. [Bancket-werk deel 1, p. 132]

De verzamelde werken van De Brune zijn gepubliceerd op het internet. Aan dit project hebben jarenlang veel mensen meegewerkt: DickJan Braggaar, Paula Koning, wijlen Gerard Oevering, Trude Schmidt en talrijke studenten. Lacunes en transcriptiefouten zitten er nog in, correcties en aanvullingen zijn welkom. De resultaten (11 titels) staan op de website van de opleiding Nederlands in Leiden. Plus een lijst van boeken en artikelen over het werk van De Brune:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/JohandeBruneBibliografie.html

Dit bericht is geplaatst in edities met de tags , , . Bookmark de permalink.