Nehalennia – taalkundige oplossing voor een Zeeuws raadsel

Door Peter Alexander Kerkhof

Nehalennia
Nehalennia. Bron: Wikipedia

Tweeduizend jaar geleden, toen Zeeland nog niet uit verschillende eilanden bestond maar uit één groot veenmoeras dat door hoge duinen tegen de zee werd beschermd, vereerden de inheemse bewoners van dit gebied een godin met de naam Nehalennia. Deze godin is misschien wel de meest bekende godheid van ons voorchristelijke verleden. Waar namen als Wodan en Donar de meeste mensen niet veel zeggen, heeft vrijwel iedereen van Nehalennia gehoord. Ze is ons bekend door tientallen altaarstenen en votiefbeeldjes die in de afgelopen eeuwen uit de Oosterschelde zijn gevist. De godin wordt op deze stenen monumenten afgebeeld als een plechtstatige op een troon gezeten dame met een fruitmand in haar arm en een huilende hond aan haar zij. De altaarstenen dateren uit de Romeinse tijd en de votiefinschriften op deze stenen zijn dan ook in het Latijn geschreven. Haar naam daarentegen is overduidelijk niet Latijn en moet dus inheems zijn geweest. Uit de inscripties kunnen we opmaken dat Nehalennia door koopmannen en zouthandelaren werd aangeroepen om zeelui en vracht tijdens gevaarlijke reizen te beschermen. Verder is het enige dat we over deze geheimzinnige vrouw weten haar raadselachtige naam die lange tijd elke taalkundige verklaring trotseerde.

Toch heeft taalkundig onderzoek van de laatste twintig jaar een belangrijk tipje van de sluier opgelicht. In deze blogpost wil ik daarom de lezer bekend maken met de huidige stand van zaken omtrent het taalkundig onderzoek naar ’s lands oudste godin. Daar komt bij dat de etymologieën die de welwillende leek via Wikipedia vindt, danig gedateerd zijn. Een mooie gelegenheid dus om wetenschappelijk tegengas te geven.

Een fundamentele vraag in deze kwestie is of de naam Nehalennia van oorsprong Germaans is en dus tot het voorouderstadium van het Nederlands behoort of van oorsprong Keltisch is en voortkwam uit het Gallische dialect dat de inwoners van de zuidelijke Nederlanden in de Oudheid spraken. Om dit te bepalen moet men in de naam woordelementen vinden die te verbinden zijn met Germaans of met Keltisch taalmateriaal. Dit kunnen zelfstandige naamwoorden zijn of grammaticale achtervoegsels. Zo stelt de godinnennaam Hludana die men in Romeinse votiefinscripties uit het Rijnland vindt, ons in staat om de etymologische link met het Oudgermaanse woord *hluda– ‘roem’ te maken (vergelijk Nederlands luid). Ook hebben we voor deze naam een Oudnoorse godinnennaam uit de Edda, te weten Hlóðynn, die we er mee in verband kunnen brengen. Bij de naam Nehalennia zijn we daarentegen in onzekerder vaarwater en de meeste voorstellen die voor dergelijke connecties gemaakt zijn, zijn ingewikkeld en slecht gefundeerd.

Een oud voorstel voor de etymologie van Nehalennia van vóór de oorlog (Gutenbrunner 1936) ging uit van een Germaanse samenstelling; het eerste deel van de naam zou het Oudgermaanse woord *nehwa zijn wat ‘dichtbij’ betekent en ook in ons woord ‘na’ en ‘naderen’ zit. Het tweede deel zou verwant zijn met het Oudgermaanse woord linnan wat ‘gaan’ betekent en ons bekend is van het Oudhoogduitse woord bilinnan ‘wijken’ en het Gotische aflinnan ‘weggaan’. De samenstelling zou dan in zijn geheel ‘zij die met hulp nadert’ betekenen. Op dit voorstel zijn een aantal dingen aan te merken. Ten eerste zou men verwachten dat de w-klank in Oudgermaans *nehwa bewaard zou zijn gebleven in een zo vroeg overgeleverde naam als Nehalennia. Ten tweede is de betekenis die wordt voorgesteld voor de naam vrij vergezocht, zeker omdat enig woord dat ‘hulp’ zou betekenen in de samenstelling ontbreekt.

Een ander etymologisch voorstel, van na de oorlog, kwam van de Vlaamse naamkundige Maurits Gysseling, de auteur van het monumentale plaatsnaamkundige woordenboek uit 1960. Hij stelde voor dat we in het geval van Nehalennia met een prehistorische naambasis te maken hebben die noch Germaans, noch Keltisch is, maar wel met het Indo-Europees, de taalkundige voorouder van beiden, zou samenhangen. De basis van de naam zou dan de Indo-Europese wortel *neiH- zijn wat ‘voeren, leiden’ betekent en waarvan alleen werkwoorden in het Hetittisch en het Oudindisch zijn afgeleid. Hij ziet zich hierin gesteund door één inscriptie waar de naam Nehalennia als Neihalennia is gespeld. De precieze betekenis van het daaropvolgende stukje *-al- blijft door Gysseling onbesproken, maar het afsluitende deel *-ennia brengt hij in verband met Keltische plaats- en regionamen zoals Arduenna (Ardennen) en Tarwenna (Thérouanne). De uiteindelijke naamvorm zou dan ook Keltisch zijn geweest.

Ook het etymologische voorstel van Gysseling is problematisch. Zo ontslaat zijn theorie dat we hier met een niet-Germaanse, niet-Keltische taal te maken hebben hem van de noodzaak om de woordvorming te verklaren en directe cognaten in nog levende nabijgelegen talen aan te wijzen. Dat geeft wel heel erg veel vrijheid en het voorstel is daarom onmogelijk te falsifiëren. Ook kan de enkele spelling Neihalennia niet als doorslaggevend worden beschouwd. Het is immers ook mogelijk dat we met een schrijffout te maken hebben. Maar al weet Gysselings artikel tegenwoordig niet te overtuigen, zijn blik naar het Keltisch als taalkundige factor is nadien door meerdere wetenschappers gevolgd.

De meest recente bijdragen aan de discussie komen van Rübekeil in een artikel uit 2002 en Bernardo de Stempel in een artikel uit 2004. Rübekeil leidt de naam Nehalennia af van een niet overgeleverde Keltische formatie *neal– wat ‘sterk, schitterend’ zou betekenen en in de verte verwant zou zijn met het Oudierse woord níam ‘schoonheid’ . Bernardo de Stempel wijst dit voorstel af en merkt terecht op dat deze etymologie, die nauwelijks op de woordvorming ingaat en ook klankwettig problemen oproept, nauwelijks beter is dan die van Gysseling.

Haar eigen voorstel draait om de observatie dat het hier een godin betreft die met de zee verbonden is en het dus mogelijk is dat haar naam dit gegeven weerspiegelt. Daar komt bij dat de naam Nehalennia altijd voorkomt als attribuut bij een voorgaand dea, het Latijnse woord voor godin. Het is dus aannemelijk dat Nehalennia als een attributieve uitleg bij dea fungeert en vertelt over het soort godin waar we hiermee van doen hebben. Dit vermoeden wordt gesterkt door een aantal inscripties waar de naam in het meervoud voorkomt, namelijk deae nehalenniae.

Bernardo de Stempel merkt vervolgens op dat er in het Keltisch meerdere woorden zijn die met *sal– beginnen en ‘zee, zout water’ betekenen. Het gaat hier dan voornamelijk om Welsh halein ‘zout’ en Welsh heli ‘zee’. Deze woorden staan een Laat-Keltische reconstructie *halen– toe met de betekenis ‘zee’ wat dan samen met een voorvoegsel *ne- wat ‘op’ en ‘bij’ betekent de basis zou zijn voor de naam Nehalennia. De woordvorming zit dan als volgt in elkaar; als eerste het voorvoegsel *ne- (= op), daarna het middenstuk *-halen- (= zee) en ten slotte het achtervoegsel*-ja dat vrouwelijke afleidingen maakt; alles te samen genomen zou de naam dan ‘Zij die bij de zee is’ betekenen, geen onwaarschijnlijke naam voor een godin die zeereizen waarborgt.

Deze verklaring is aantrekkelijk om ten minste twee redenen. Ten eerste; taalkundig vinden we soortgelijke formaties in andere Indo-Europese talen, bv. Latijn insula ‘eiland’ (< *in-sal-a) waar de betekenis ‘eiland’ is afgeleid van de oorspronkelijke betekenis ‘bij het zeezout’ en Grieks éphalos ‘kust’ (< *epi-sal-os) dat is afgeleid van de oorspronkelijke betekenis ‘bij de zee’. Ten tweede; in het Nederlandse kustgebied vinden we meerdere namen die afgeleid moeten zijn van een Laat-Keltische vorm *halen-, niet in de laatste plaats een oude naam voor de monding van de rivier de Maas. De Maasmond heette volgens Tacitus in de Romeinse tijd Helinium waar het Keltische *halen– duidelijk in te herkennen is. Dit Helinium is vermoedelijk ook terug te vinden in het latere element ‘helle’ in Hellevoetsluis en we vinden hem ook in verscheidene plaatsjes in Noord-Holland en Friesland waar het woord ‘hel’ en ‘helle’ naar schorren in het getijdengebied verwijst.

Al met al lijkt Bernardo de Stempel met een goede theorie te zijn gekomen die zowel de epigrafische context, de taalkundige woordvorming als de uiteindelijke oorsprong van de naam Nehalennia verklaart en bovendien gesteund wordt door de naam Helinium uit de Romeinse tijd. Ook voor het feit dat Nehalennia vaak met een huilende hond wordt afgebeeld, heeft Bernardo de Stempel een intrigerende verklaring. Zij wijst naar het Middeleeuws Welshe woord gweilgi dat ‘zee’ betekent maar afgeleid kan worden van een Keltische samenstelling die ‘huilende hond’ betekent. Deze laatste etymologie is moeilijk te bewijzen maar spreekt desalniettemin tot de verbeelding. Ook al blijft veel, zo niet het meeste, rond de cultus van Nehalennia onbekend, toch lijkt in ieder geval een belangrijk feit rondom deze godin boven water gekomen te zijn. Het gaat hier om een Keltische godin die aan de Keltisch sprekende kust van Nederland en België in de Romeinse tijd aanbeden werd. En dan hoeven we verder niet op alle slakken zout te leggen.

Referenties

De Bernardo Stempel, Patrizia. 2004. “Nehalen(n)ia, das Salz und das Meer,” Anzeiger der philosophisch-historischen Klasse 139 (2004), 181–193.
Guttenbrunner, Siegfried. 1936. Die germanischen Götternamen der antiken Inschriften, Halle, 81-82.
Gysseling, Maurits. 1972. “Over de naam van de godin Nehalennia,” in: Naamkunde; Mededelingen van het instituut voor naamkunde te Leuven en de commissie voor naamkunde en nederzettingsgeschiedenis te Amsterdam 4, 3-4, 221-229.
Rübekeil, Ludwig. 2002. “Diachrone Studien zur Kontaktzone zwischen Kelten und Germanen, Wien; Österreichische Akademie der Wissenschaften,” philosophisch-historische Klasse Sitzungsberichte 699.