Etymologie: kruisbes

kruisbesDoor Michiel de Vaan

kruisbes zn. ‘ribes uva-crispa’

Vroegmiddelnederlands croselbusg ‘doornstruik, ramnus’ (1240, Limburg), croesel haghe ‘haag van doornstruiken’ (1281, Limburg), Mnl. crosle (1300-1400), crocel (ca. 1440) ‘doornstruik’, stekebeyeren (1350-1400), krakebesiën ‘kruisbessen’ (1407-08); Vnnl. cnoessele ‘kruisbes’, cnoesselboom (1552), knoeselen ‘kruisbessen’ (1608), croesbesien (1608), Kroes-besie, kroesel-besi(e), kroes-baeye, kruys-besie (1599), cruijsbesseboomtjes (1654).

De variantenrijkdom in moderne dialecten is enorm. De indeling en verklaring die hieronder volgen zijn gebaseerd op Goossens 2002. In veel gebieden begint het woord met steek-, steke- (bijv. Vlaanderen, Gelderland, Noord-Limburg, Nederrijn, grote delen van het Nederduits), wat ons hier niet zal bezighouden. In de meeste andere regio’s is een stam kr_s de basis van het woord. De klinker is daarbij in veel gevallen een WGm. *ū, *u, *au of *eo, maar ook *a en komen voor. In veel gevallen is er een suffix -el, en het geheel kan dan een samenstelling met ‘bes’ vormen, soms ook met ‘doorn’. In sommige dialectgebieden is kr_s_l gedissimileerd tot kn_s_l, in andere is een extra n verschenen voor de s, dus kr_ns_l. Daarnaast kan de s tot sk uitgebreid zijn, dus kr_sk_l. Het woord is in de meeste gevallen vrouwelijk.

Klinkervariatie in de dialecten: met WGm. *au in Limburgs kroosjel, kroeësjel f., Ripuarisch krooschel f., Zwitsers chroosle, Oost-Ripuarisch krun(t)sel; met WGm. *eo in Betuws kriesel, krissel, Overijssels kriesebes, Westfaals kriesbeer; met WGm. *ū in Noordoost-Nl. krüü(s)bees, –bere, -bei, Noord-Hollands kruisbei, Fries krúsbei (dit laatste kan uit het Hollands stammen), Zwitsers chru(u)sle, chrüüseli; met WGm. *ō in Brabants knoesel, knoezel, Brabants-Limburgs kroezel, Ripuarisch knuschel, Brabants kronzel, West-Limburgs kroensel, Maastrichts krónsel. Het Franse groseille gaat terug op Oudfrans grosele, dat al vroeg in de Middeleeuwen ontleend is aan Westgermaans *krōsele, dus aan de vorm die in de Brabants-Limburgs-Ripuarische dialecten voortbestaat. De vormen zonder l-suffix zijn pas vanaf ca. 1600 geattesteerd en zijn ook in de dialecten in de minderheid tegenover vormen met l; dat zou erop kunnen wijzen dat we voor de etymologie alleen van *kr_s_l moeten uitgaan en niet van *kr_s.

Etymologisch hebben *kraus- en *krūs- de grootste verspreiding, en zet het suffix een vrouwelijk zn. op *-lō- voort. De wisseling tussen *kraus- en *krūs- komt ook voor in de woordfamilie van kroes ‘gekruld, door elkaar’, Duits kraus (Mnl. cruus, Mnd. krūs, Mhd. krūs ‘gekruld’, Ohd. krūsa f. ‘voormaag’) uit *krūs-, waarbij waarschijnlijk kroos ‘waterplant; klokhuis’ met *kraus- hoort (Mnl. croos, Mnd. krōs ‘(eetbare) ingewanden’), en krul uit *krulla- uit ouder *kruzla-. Daarmee is ‘kruisbes’ al eerder verbonden, waarbij men dacht aan de beharing op de kruisbes. Dat laatste moet waarschijnlijk verworpen worden omdat de oudste betekenis algemener is dan ‘kruisbes’, en omdat het woord in het Frans ook op de aalbes kan slaan. Hoewel struiken om allerlei redenen vernoemd kunnen zijn (bladeren, bessen, habitat, groeivorm, kleur, doornen, enz.), en we dus een beetje in het duister tasten, stel ik voor om gezien de verbinding met ‘kroos’, ‘kroes’, ‘krul’ te denken aan de ‘trossen’ waarin de (rode) bessen groeien (maar was dat bij de oudste vorm van de plant ook zo?), of aan de ondoordringbaarheid van het gewas (vanwege de doornen). Dat krul ook een l-suffix had is dan misschien niet toevallig, we kunnen *kruzlánaast *krṓslō– reconstrueren. De klinkervariant *krōs- moet in navolging van een ander woord zijn ontstaan, maar welk?

Literatuur:

  • Jan Goossens. 2002. Over kruisbessen, knoeselen, kasperten en consoorten. En ook een beetje over het Franse groseille. Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 74, 51–68.
  • Klaas Heeroma. 1959. Taalatlas van Oost-Nederland en aangrenzende gebieden, kaart 29: Kruisbes.