“Sterke positie Nederlands in wetenschap en hoger onderwijs belangrijk”. Oh ja, joh?

Door Marc van Oostendorp

27f5b2e7-6b2b-4cf7-8d8b-ac439e6b57a2Wie had gehoopt dat de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren met zijn nieuwste notitie de discussie over het Engels in de collegezalen naar een hoger niveau zou tillen, komt helaas bedrogen uit. De Raad, die de Nederlandse en Vlaamse ministers officieel adviseert en waarin allerlei knappe bollen zitten, zou met deze notitie de discussie van een wetenschappelijke achtergrond kunnen voorzien en vervolgens tot een helder standpunt kunnen komen.

Maar niets van dat alles.

Er wordt nauwelijks verwezen naar wetenschappelijk onderzoek in deze notitie, en des te meer naar opiniestukken uit de kranten, zoals er ook nauwelijks externe deskundigen zijn geraadpleegd. Hoe weten we wat belangrijk is voor een taal? Hoe weten we wanneer een taal kan overleven? Daarover worden wel een aantal dingen beweerd in dit rapport, maar ze worden niet met cijfers of argumenten onderbouwd, en ze geven ook geen verrassende nieuwe kijk op de zaak.

De uiteindelijke stellingname is bovendien nietszeggend: “sterke positie Nederlands in wetenschap en hoger onderwijs belangrijk” twitterde de Taalunie gisteren. Dat was een adequate samenvatting en daarmee was ook eigenlijk alles wel gezegd. Ooit gedacht dat iemand zoiets zou zeggen?Privé-omgeving

De Raad weet het ook niet zo goed weet, heeft bovendien niet de moeite genomen zich te verdiepen in de literatuur over dit onderwerp, en vlucht daarom in gemeenplaatsen.

Veel argumenten zijn belegen, de soort beweringen die men in sommige kringen elkaar graag napraat, maar die je eigenlijk eens een keer serieus verdedigd zou willen zien worden in plaats van herhaald. “Wanneer een taal niet langer een belangrijke rol kan spelen in verschillende maatschappelijke, professionele en commerciële omgevingen,” schrijft de Raad bijvoorbeeld, “dreigt ze te verworden tot een informele taal; een ‘huis-tuin-en-keukentaal’ die enkel nog een rol in een privé-omgeving kan spelen.”

Aplomb

Dat klinkt nogal vroeg-twintigste-eeuws, met dat onderscheid dat er gemaakt wordt tussen een ‘officiële’ taal waarin men handel drijft en oreert tegenover een ‘informele taal’ die men in eigen kleine kring gebruikt en waarop men eigenlijk neerkijkt.

Die informele taal wordt, alleen al dankzij het internet, de laatste decennia steeds belangrijker in het dagelijks leven en wordt lang niet meer alleen ‘in een privé-omgeving’ gebruikt. Zelfs de minister-president zegt op tv ‘pleur op’, en daar is geen woord Engels bij. De angst dat mensen zich zullen gaan schamen voor het Nederlands en die niet langer in het openbaar durven gebruiken, lijkt me weinig reëel en hoort dan ook niet met zoveel aplomb te worden gebracht.

Sterker nog: je zou ook kunnen zeggen dat juist dergelijke retoriek uiteindelijk zichzelf waar maakt: door nu vaak te beweren dat je je eigenlijk moet schamen als je niet dezelfde taal spreekt in de huiskamer als in de collegebanken, leg je de kiem voor een toekomstige afschuw van het Nederlands.

Onvolwaardig

Een paar bladzijden later beweert het rapport: “Pas als een taal ook bron is voor vaktalen, kan deze beschouwd worden als een volwaardige taal; als een zogenaamde fully fledged language.”

Er wordt nergens uitgelegd wat er zo ideaal is aan ‘volwaardige talen’. Het hele rapport ademt de sfeer dat het op de een of andere manier vanzelfsprekend begeerlijk is dat je in alle domeinen van het leven altijd dezelfde taal spreekt: één leven, één taal! Nu is dat bij sommige levens natuurlijk onmogelijk: wie naar verre buitenlanden trekt waar ze vreemde besjes eten of moeilijke technieken beheersen, waarvoor wij geen woorden hebben omdat we er nooit van hebben gehoord, zal het dus met andere talen moeten doen. Zijn zulke avonturiers minder fully fledged? Bovendien zijn er tal van terreinen waarvoor het Nederlands wel woorden heeft, die ik echter niet ken, omdat nu eenmaal niet alle miljoenen Nederlandse woorden in mijn koppie passen. Toch heb ik niet het idee dat ik daarmee een ‘onvolwaardig’ Nederlands spreek.

Ook de bewering dat je over alle onderwerpen in het Nederlands moet kunnen spreken maakt zo zichzelf waar: als dat niet kan, is het Nederlands kennelijk geen ‘zogenaamde fully fledged language’, en dat is kennelijk zo erg dat de Raad het niet de moeite vindt uit te leggen wat voor rampen er eigenlijk gebeuren als wij over het ene onderwerp in de ene taal spreken en over het andere in de andere.

Toptijdschriften

Dat lijkt me het grootste bezwaar tegen dit rapport: hoewel er braaf wordt vermeld dat het Engels niet meer weg te denken is uit onze samenleving, wordt er niet de consequentie uit getrokken dat we niet nostalgisch moeten vasthouden de tijd dat je met meneer pastoor dezelfde taal wilde kunnen spreken als met je moeder, maar moeten nadenken over hoe we precies omgaan met onze tweetaligheid.

Daar komt nog bij dat er een aantal zaken bij worden gehaald die eigenlijk weinig met de problematiek te maken hebben. Zo wordt er vrij veel ruimte genomen om uit te leggen dat de drang om te publiceren in ‘toptijdschriften’ betekent dat wetenschappers nauwelijks aan hun medeburgers uit kunnen leggen wat ze eigenlijk aan het doen zijn.

Bevoegdheid

Natuurlijk is waar dat een beetje ‘toptijdschrift’ alleen artikelen in het Engels publiceert, maar dat is voor dit punt een bijzaak. Als je alle artikelen uit Nature in puntgaaf Nederlands zou omzetten, zou ze dit nauwelijks leesbaarder maken. Ook de popularisering van de wetenschap zou het, anders dan het rapport beweert, niet veel helpen: de teksten zouden vol jargon staan die door de journalist toch op de een of andere manier zou moeten worden vertaald.

De Raad heeft misschien gelijk dat er op de universiteiten meer rekening moet worden gehouden met de waarde van deelname aan het maatschappelijk debat en aan wetenschapscommunicatie, maar dat is geen taalkwestie.

Teleurstelling

De notitie eindigt met vier ‘aanbevelingen’ waarvan ik vrees dat ze weinig gehoor zullen vinden, bijvoorbeeld omdat ze veel te algemeen zijn (‘Maak werk van een weldoordacht talenbeleid’) of volkomen buiten ieders bevoegdheid vallen (‘Waardeer excellente wetenschapsbeoefening in het Nederlands en excellente wetenschapsbeoefening in andere talen gelijkwaardig’ – wat er in de wetenschap al dan niet gewaardeerd wordt, wordt uiteindelijk volgens allerlei ingewikkelde sociologische processen bepaald door de beoefenaren van een vakgebied zelf.)

En dus is deze notitie een teleurstellling. De maatschappelijke discussie wordt ook niet in een bredere wetenschappelijke of maatschappelijke context geplaatst (hoe zit het bijvoorbeeld in andere taalgebieden?) en er wordt ook geen prikkelend nieuw standpunt in betrokken. De Raad voor de Nederlandse taal en letteren vindt een “sterke positie Nederlands in wetenschap en hoger onderwijs belangrijk”. Oh ja, joh?