Helden in de hemel van Nassau

Door Ton Harmsen

045ZegewagenBruneDe meest lucratieve verovering in de opstand tegen Spanje was die van de Zilvervloot. ‘Zijn naam is klein, zijn daden bennen groot’ klinkt het nog eeuwenlang in de klaslokalen. Ook militair heeft Piet Heyn de republiek veel goed gedaan: ineens was er geld voor het onbetaalbare initiatief van Frederik Hendrik om ’s-Hertogenbosch te veroveren. Hij had daarvoor een strategisch plan klaarliggen: de toegangswegen tussen Brussel en ’s-Hertogenbosch zouden worden afgesneden, en de waterpartijen die de stad rondom een natuurlijke bescherming boden drooggelegd. Op 14 september 1629 kwam dit plan tot een succesvol einde en dat  bracht in het hele land de dichterspennen in beweging. Een omvangrijk epos van Caspar Barlaeus, een geschiedkundig overzicht door Daniel Heinsius, een zegelied van ruim 600 verzen door Vondel, een eindeloze reeks heldinnenbrieven die uitdrukking gaven aan de angsten en de opluchting van prinses Amalia van Solms, een gedicht van Johan de Brune de Oude bij een gravure van Johannes Looff, en een honderdtal juichende oorlogsverzen was het resultaat. Zelfs zonder veel regie uit Den Haag draaide de propagandamachine op volle toeren. De Amsterdamse boekhandelaar Jacob Pietersz Wachter verzamelde niet minder dan 43 bijdragen in zijn bundel Lof-dichten, ter eeren den doorluchtighsten vorst Frederic Henric over de twee voortreffelijcke victoryen der stercke steden Wesel, ende het on-winbaer geachte ’sHertogen-bosch. Teksten van uiteenlopende soort en kwaliteit, liederen, vermaningen, toneelvertoningen, redevoeringen, gebeden, en zelfs een persiflage op een katholiek gebed.

Die persiflage komt uit Deventer, van de calvinistische predikant Jacobus Revius. Zijn Gebedt voor de belegeringe van ’s Hertogen-bos. Op de wijse: Te rogamus audi nos drijft de spot met de gregoriaanse litanie van alle Heiligen, waarin het kerkvolk steeds hetzelfde refrein zingt na een door de priester uitgesproken wens. Bijvoorbeeld:

.        Ut cuncto populo christiano pacem et unitatem largiri digneris, – te rogamus, audi nos.

.        Dat Gij U gewaardigt aan de gehele christenheid vrede en eenheid te schenken, – wij bidden U, verhoor ons.

‘Op de wijse van’ suggereert dat Revius zijn viervoetige trochee wil zingen op de melodie van een gregoriaans gezang. Dat zal niet lukken, en het is de bedoeling ook niet: Revius’ opzet is de katholieken te beledigen en propaganda te maken tegen de katholieke Spaanse koning. Daarvoor is zijn ironische verwijzing naar een belangrijk liturgisch gezang heel effectief. Het lied van Revius heeft een fanatieke en onverzoenlijke toon:

.            6.
.        Neemt den vijant zijnen moet,
.        Neemt hem wijsheyt ende spoet,
.        Neemt hem coren ende haver,
.        Neemt hem crijger ende graver,
.        Neemt hem harnas en geweer.
.        Wilt ons horen, lieve Heer!
.
.            7.
.        Maeckt vertsaechtheyt inde stat,
.        Maeckt de wakers moe en mat,
.        Maeckt onveylich hare straten,
.        Maeckt onwillich haer soldaten,
.        Seeg’ en segen van haer keer.
.        Wilt ons horen lieve Heer.
.
.            8.
.        Maeckt den oversten veracht,
.        Doet verdwijnen sijne macht,
.        Maket dat de borgerye
.        Weygere sijn heerschappye
.        En de Staten hulde sweer.
.        Wilt ons horen lieve Heer.
.
.            9.
.        Comt den Spaingnaert voor den dach
.        Om ons heyr te bieden slach
.        Om de stede te ontsetten,
.        Uwen adem moet hem pletten
.        En wech-blasen als een veer.
.        Wilt ons horen, lieve Heer! (vs. 31-54)

Dergelijke oorlogspropaganda is van alle tijden. Het geeft het volk een prettig gevoel van ‘wij zijn nuttige helden en de vijand is een schurk’, maar het leidt niet tot vrede. Daarvoor is iets anders nodig: een houding van compassie, inzicht en idealisme. Anders dan Revius beschikte Vondel daar wel over, zoals zijn Zegesang toont.

Vondel heeft een heel andere agenda. Wat hij geeft met de ene hand, neemt hij met de andere. Hij prijst de strategie en techniek waarmee Frederik Hendrik dit succes behaalde, maar hij wijst erop dat daarmee het eind van de oorlog bereikt is: vrede en veiligheid zijn het ultieme doel, en nu de grenzen van de Republiek veilig zijn gesteld is er geen reden voor verdere agressie. Vondel schrijft een overwinningslied, een lyrische ontboezeming in viervoetige jambes: hij geeft geen uiting aan zijn vreugde omdat de Spanjaarden eens goed te grazen zijn genomen, maar omdat hiermee de noodzaak voor verder oorlogvoeren vervallen is. Hij beloont Frederik Hendrik voor zijn belangrijke overwinning – ere wie ere toekomt – maar dat doet hij niet met een epische verheerlijking, zoals Barlaeus doet in zijn Obsidio Sylvae-Ducis en ook niet met een krijgskundige analyse zoals Heinsius in zijn Historia rerum ad Sylvam-Ducis gestarum. Vondel bezingt het geluk van het gewone volk: deze overwinning leid tot het stadium waarin vrede kan worden gesloten. Dat was ook de wens van de Amsterdamse kooplieden, dus Herman Gorter heeft gelijk als hij in De groote dichters Vondel aanwijst als de spreekbuis van het Amsterdamse kapitaal, maar er zit bij Vondel toch ook veel zorg bij voor de ellende in de oorlogsgebieden.

Natuurlijk moet Vondel de bezongen held held introduceren. Hij doet dat via een lange omweg – volgens het voorschrift van Horatius dat men ‘uit rook licht moet laten ontstaan’ (‘ex fumo dare lucem’, Epistula ad Pisones vs. 143). Hij stelt de vraag wie de bezongen held is en geeft het antwoord pas in vs. 26. Eerst doet hij vier suggesties, de een nog eervoller dan de andere: is het Apollo, die het monster Python neerschoot? Of is het Hercules met zijn grote werken? Anders een van de helden van het oude Rome? Of tenslotte Alexander de Grote? Alexander lijkt er nog het meest op, want die deed net zoiets als bij het beleg van ’s-Hertogenbosch: hij verbond het eiland waarop de haven van Tyrus lag met het vasteland. Die haven was onoverwinnelijk, totdat Alexander door middel van ballista’s een pier van puin en cederbomen had opgeworpen, helemaal van de kust naar het eiland. Bij ’s-Hertogenbosch werden ook dijken aangelegd en kanalen gegraven om de stad te veroveren. ‘They’ll have to alter all the maps’ om met James Coburn te spreken.

.            Wie is hy, dien de lauwer voeght,
.            En met een aensicht soo vernoeght,
.        Geseten op den zegewagen,
.        Keert weer van vyands nederlagen? (vs. 1-4)
.
.        […]
.
.            Of is ’t der weereld wonderding,
.            De Macedoonsche jongeling;
.        Die, doen het jonge Tyrus schempte,
.        De zee met ’t oude Tyrus dempte,
.            En smoorde soo veel stofs en puyn,
.            En Libans cederrijcke kruyn,
.        Tot dat hy stormde wt haeren setel,
.        Die elck te trots was en vermetel? (vs. 17-24)

Alexander was dus bijna goed, maar het juiste antwoord is…

.            Neen, ’t is geen held van d’oude tijd,
.            ’t Is FREDRICK HENRICK, dien den nijd,
.        En all’ die hem sijne eer misgonnen,
.        Door moedigh worstlen heeft verwonnen:
.            Die d’Oldenzeelsche vesten dwong:
.            Die Wesel innam met een’ sprong:
.        En Grol heeft tot sijn’ winst gestreecken;
.        Dat tweemael ’t leger op sagh breecken:
.            Die met sijn volck te voet te ros,
.            Verovert heeft ’s HARTOGENBOSCH;
.        Dat tweemael ’t leger op sagh breecken.
.        O groote winst van weynigh’ weecken! (vs. 25-36)

Dan volgt een gedetailleerd verslag van het beleg, waarvoor boeren en soldaten maandenlang een herculeïsche prestatie leverden, zodat de stad van zijn bevoorrading werd afgesneden, en de belegeraars de muren konden ondermijnen. De kracht van de vesting ’s-Hertogenbosch wordt door herhalingsfiguren stilistisch breed uitgemeten:

.        Met schans by schans, en werck op werck,
.        Van graft aen graft en hoornen sterck. (vs. 121-122)

waartegenover Vondel de kracht van Frederik Hendriks superieure belegeringswerken stelt:

.        ’k Sie de dorpen hier in ’t rond gelegen,
.        Als met een snoer aen een geregen,
.            Met dobble graft, en schans op schans.
.            d’Ontsetter heeft hier kleene kans. (vs. 159-162)

Deze enthousiaste beschrijving van de oorlogstechniek is voor Vondel alleen maar de opmaat tot het eigenlijke punt. Vier jaar later is hij daar veel duidelijker over. Dan schrijft hij zijn Vredewench – in het handschrift zonder ‘s’, pas in 1644 gedrukt als ‘Vredewensch’ maar het kan ook zijn dat Vondel ‘vredewenck’ bedoelt – waarin hij helemaal geen oog meer heeft voor de strategische kunststukjes van Frederik Hendrik, maar alleen nog spreekt over de afschuwelijke gevolgen van de oorlog voor degenen die er direct mee geconfronteerd worden:

.        d’olyf behaeght my boven den laurier.
.        wat is de krygh een woest verslindend dier!
.        dat weet het volck ’t welck op de grensen sucht,
.        en eeuwigh kemt in een benaude lucht. (Vredewench, vs. 23-26)

Diezelfde compassie met de omliggende dorpen en boerderijen, altijd geplunderd door de langstrekkende soldaten, uit hij in 1629 ook al in de Zegesang:

.            Die eerst door daeghlijcx ramp besocht,
.        Van loopers, stroopers, stokebranden,
.        Van knijpers, knevlers, ruw van handen,
.            Alle oogenblick met ope tesch,
.            Verwachten het getrocken mes
.        Op bloote keel, de schuur aen koolen,
.        Op ’t kloppend hart gelaen pistolen:
.            Dies roepe een yeder, dien dit raeckt:
.            Een god heeft ons dees’ rust gemaeckt: (vs. 474-482)

Het laatste is een letterlijke vertaling van Vergilius’ versregel ‘Deus nobis haec otia fecit’ (Ecloga I,6): Octavius (later keizer Augustus) heeft ons deze rust bezorgd. Vondel vergelijkt Frederik Hendrik zo met de keizer die niet alleen Vergilius, maar zelfs heel Rome vrede heeft bezorgd. Daarmee geeft hij aan dat het doel van de oorlog niets anders is dan het wegnemen van de ellende voor de burgers en boeren die het slachtoffer zijn.

Frederik Hendrick krijgt alle eer die hij verdient voor zijn overwinning, maar vooral houdt Vondel hem voor wat er nu eigenlijk gewonnen is. Niets minder dan het einde van de oorlog! En zo eindigt het gedicht met een ode aan vrijheid en vrede:

.            Maer vryheyd, handvest, wat is dit?
.        Sijn ’t enckle krachteloose klancken?
.        Niet niet, ô edelste aller rancken!
.            Laet yeder eygnaer hier af sijn.
.            De vryheyd als een’ sonne schijn’
.        Op allerhande slagh van menschen,
.        Die om ’t gemeene beste wenschen.
.            Men maeck van ’t Christelijck geloof
.            Geen’ plondering en sielenroof:
.        Men onderdruck geen vroom gewisse,
.        Met boeten en gevangenisse:
.            Maer laet God rechter van ’t gemoed.
.            Uw Vader storte hierom sijn bloed.
.        Soo dat geschied, soo sal de vrye,
.        In liefd tot Hollands heerschappye
.            Ontvoncken; soo sal yeder een
.            Om’t beste bidden van ’t gemeen:
.        Soo sultghe voelen ’s hemels segen,
.        Uw’vyand schricken, met uw’ degen:
.            Soo sultghe sijn der vroomen wijck,
.            Het voorbeeld van gants Christenrijck,
.        En leven op de tong der geesten:
.        Tot datghe moe van aerdsche feesten,
.            En levens sat, uw’ sterflijckheyd
.            Laet hier beneen van elck beschreyt.
.        ’t Onsterflijck word van Iupijns vogel,
.        Op gouden wagen met sijn’ vlogel
.            (Die t’hemwaert neyght, die oirsprong nam
.            Van Duytschlands Keyserlijcken stam:
.        Stam die in standerds aernen [arenden] swaeyde,
.        Soo dickmael Mavors oorloogh kraeyde)
.            Gevoert ten hoogen hemel, daer
.            ’t Ontmoet de salige heldenschaer,
.        Den Grootvaer Adolf, met sijn’ neven,
.        Gestreden in het eeuwigh leven.
.            My dunkt ick sie alree van verr
.            Sijn aenschijn schittren als een’ star,
.        Wien Holland wieroockt met gebeden:
.        Om dat hy ’t hoofd van ’s vyands steden
.            Opofferde als een heyligh pand,
.            Sijn vaders graf, sijn vaderland. (vs. 570-610)

Vondel draagt de verovering van ’s-Hertogenbosch op als offerande aan de grondlegger van het Nassaus geslacht, de dertiende-eeuwse rooms-koning Adolf van Nassau. De apotheose van Frederik Hendrik verwijst naar het doel van de Hollandse graven: een stabiel rijk. Dat is wat Vondel wil vieren, niet het verpletteren van de vijand (zoals Revius doet) maar de vestiging van de vrijheid.

Als toegift krijgt Amalia van Solms het woord, die in een sonnet blijk geeft van haar geluk. Dit gedicht is verwant met een serie heldinnenbrieven, ingezet door Caspar Barlaeus, waarin de oorlog vanuit de prinses wordt beschreven. Ook P.C. Hooft mengt zich in deze dichterlijke competitie met zijn Klaghte der Prinses van Oranjen.

Stuur Hooft om een oorlogsgedicht en hij komt thuis met een liefdeslied. Stuur Vondel om een oorlogsgedicht en hij komt thuis met een vredeslied. Dat wil hij in ieder geval. In de Zegesang voelt hij zich nog verplicht de veldheer te lauweren en de inspanningen van de oorlog te beschrijven. Als hij zich daarvan losmaakt, vier jaar later in zijn Vredewench, komt zijn beste lyriek naar boven. Maar voor die boodschap stelt Blaeu zijn persen niet beschikbaar; het verschijnt pas in 1644 in druk in Vondels Verscheide gedichten.

De Zegesang ter eere van Frederick Henrick, Boschdwinger, Wezelwinner, Prince van Oranje is in 1629 uitgegeven door Willem Blaeu, een prachtige folio-editie; het gedicht is in hetzelfde jaar twee keer herdrukt, en ook nog opgenomen in de bundel lofdichten van Jacob Pietersz Wachter waar ook het gebed van Revius in staat. Op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden is het uitgegeven naar de eerste druk, de enige die bij Blaeu verscheen. Hoewel het maar één editie betreft, vertoont de tekst van verschillende exemplaren een groot aantal afwijkingen. Een zetter heeft eraan gewerkt met zijn eigen spelling; Vondel heeft de drukproeven gezien en een twintigtal correcties geëist. Bijna allemaal betreffen ze de lange ‘ij’ die als ‘ii’ gespeld was. Hier zien we dus een tekst die ‘op de pers’ gecorrigeerd is. De volgorde van de correctie is in de meeste gevallen duidelijk, omdat de voor Vondel vreemde ii-spelling vervangen is door de ij-spelling. Toch doet zich een raadsel voor: op p. 17 staat in het Leidse exemplaar (het foute) ‘ii’ en in het Haagse (het goede) ‘ij’, en in het Haagse het foute ‘scrick’ terwijl het Leidse ‘schrick’ heeft. De editeur kan niet anders dan voor dezelfde pagina eerst het Haagse en dan het Leidse exemplaar volgen. En zich verbazen. Misschien heeft de zetter die van scrick schrick moest maken uit balorigheid alle ij’s die hij zag in ii’s veranderd? In verschillende katernen! Zoiets moet het zijn. Dan wordt analytische bibliografie ineens een spannend vak.

Het gedicht is met foto’s van het orgineel uitgegeven op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden:

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/VondelZegesang.html

Dit bericht is geplaatst in column, edities, gedicht, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.