De zoon van D.C. Hesseling. Een familiegeschiedenis

Door Jan Noordegraaf

hesselingDe Leidse hoogleraar D.C. Hesseling (15 juli 1859 – 6 april 1941) heeft weliswaar geen Nederlands gestudeerd, maar in de loop van zijn werkzame leven heeft hij zich ook intensief bezig gehouden met de neerlandistiek in de ruime zin van het woord. Meer dan twintig jaar lang was Hesseling bijvoorbeeld redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde. Eind september 1925 schreef hij een briefje aan de secretaris van de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, WNT-redacteur Reinier van der Meulen (1882-1972). Daarin liet hij weten dat hij ‘wegens toenemende doofheid’ ontslag wilde nemen als lid van de Commissie, die hem, ‘een dilettant’ op het gebied van de Nederlandse taal en letterkunde, altijd met ‘voorkomendheid’ tegemoet was getreden.

In taalkundige kringen geldt Derk Hesseling nog steeds als ‘de ontginner van alle Nederlandsche Creoliseringen’ – het woord is van Jac. van Ginneken. Hesseling schreef, zoals bekend mag zijn, niet alleen over de taal van de planeet Mars, maar ook over het Afrikaans (1899), over Het Negerhollands der Deense Antillen (1905), over het Leeg Duits (‘Low Dutch’) in Noord-Amerika (1912-1914). En zijn belangstelling voor het Papiaments blijkt onder meer uit het feit dat hij in 1933 een vertaling maakte van een verhaal van de Curaçaose auteur Willem Eligio Kroon (1886-1949), dat als Papiamentstalig romanfeuilleton in de jaren 1926-1927 in het Curaçaose La Union verschenen was en in 1927 in boekvorm was gepubliceerd: ‘Mester a deré, promé el a drenta na casa’ (’t Was nodig hem te begraven voor hij in het huwelijk trad). Hesseling kreeg een presentexemplaar toegestuurd. Met een vertaling in het Nederlands wilde Hesseling een proeve geven van het Papiaments als geschreven taal. ‘Een literatuur begint zich te vormen’, constateerde hij tevreden. Inmiddels is door de goede zorgen van Dr. Aart G. Broek (Leiderdorp) het complete feuilleton van Kroon in de vertaling van Hesseling dit jaar verschenen in het Antilliaans Dagblad. Tot het eind van zijn leven heeft Hesseling gewerkt aan ‘a comparative study of phenomena of creolization’ (Valkhoff).

Maar anders dan zijn vriend en Leidse collega C.C. Uhlenbeck (1866-1951) heeft Hesseling nooit veldwerk buiten Europa gedaan, net zo min trouwens als de befaamde taalkundige uit Graz, zijn correspondent Hugo Schuchardt (1842-1927). Bij sommige vakgenoten van vroeger en nu proef je af en toe wat irritatie over ‘ ’n man wat nooit in Suid-Afrika was nie’, zoals een Afrikaanse criticus hem eens typeerde. Wat een mooie beschrijvingen had Hesseling zo’n honderd jaar geleden nog kunnen leveren als hij bijvoorbeeld in Noord-Amerika native speakers van het uitstervende Leeg Duits had willen ondervragen. Buiten Europa is Hesseling voor zover ik weet evenwel nooit geweest.

Misschien had dat wel te maken met zijn gezinsomstandigheden. Zijn opvolger als hoogleraar Nieuwgrieks, Sophia Antoniádis (1895-1972), de eerste vrouwelijke hoogleraar in Leiden en ‘tante Sophie’ voor de (klein)kinderen, spreekt van ‘een bitter leed in zijn gezin’. Toen ik, op zoek naar de mysterieuze koffer met brieven aan Hesseling, telefonisch contact had met zijn kleindochter, begreep die onmiddellijk waar Antoniádis op gedoeld had: ‘oom  Loek’. Hesseling en zijn vrouw Anna Salverda de Grave hadden namelijk niet alleen twee redelijk bekend geworden dochters, te weten Elizabeth en Pauline, maar ook nog een zoon. In een briefkaart van 4 juli 1906 aan zijn ‘amice’, de Vlaming Willem de Vreese (1869-1938), legt Hesseling de thuissituatie uit. Na De Vreese gelukgewenst te hebben met de geboorte van diens vijfde kind (er zouden nog drie kinderen volgen) schrijft Hesseling: ‘Mijn beide meisjes zijn nu 19 en 17 jaar oud en, evenals mijn vrouw, welvarend; mijn zoontje, van tien jaar blijft steeds in de hoogste mate achterlik naar lichaam en geest. Dat is de wolk die boven ons huis hangt. Was mijn jongetje als andere kinderen, dan zou ik gaarne een even aartsvaderlijk getal spruiten om mijn tafel zien als uw deel is, maar nu de zaken zijn zoals ze zijn, moet ik U verzoeken mijn adres niet te verklappen aan de ooievaar, die bij U zulk een trouw bezoeker is’ (UBL BPL 2998). In haar Leidse doctoraalscriptie over Hesseling (2000) heeft Sjoukje Bakker al eens op deze passage gewezen. Het kan zijn dat Hesseling (mede) omwille van zijn gehandicapte zoon geen lange en verre reizen wilde ondernemen.

Loek (voluit: Derk Louis Jacques), een jongen met een syndroom van Down naar ik aanneem, had in de eerste decennia van de vorige eeuw een gouvernante, mevrouw J.B.W. Klaver. Zij had een tweetal albums in haar bezit met foto’s van de familie Hesseling en van villa Berkzicht, het riante pand aan de Zoeterwoudschesingel 41 waar het gezin woonde. Een familielid van mevrouw Klaver was zo vriendelijk om mij de beschikking te geven over deze albums. Sommige meer theoretisch of creolistisch angehauchte collega’s waren enigszins teleurgesteld. Ze hadden gehoopt een foto te zien te krijgen uit Hesselings Parijse studietijd: Derk Hesseling samen met Ferdinand de Saussure bijvoorbeeld; of een foto uit 1905, toen Hugo Schuchardt in Leiden op bezoek was: wellicht heeft Hesseling met Schuchardt (en C.C. Uhlenbeck) de maaltijd genuttigd in het bekende etablissement ‘In den Vergulden Turk’, waar in 1910 ook Gustav Mahler en Sigmund Freud zouden afspreken – een maaltijd met Schuchardt was altijd een ‘Ereignis’, zou Nicolaas van Wijk (1880-1941) eens opmerken. Maar in dit familiealbum zijn dergelijke foto’s niet opgenomen. Wel allerlei foto’s van de tuin aan de Zoeterwoudsesingel en foto’s van het gezin met vakantie. Als voorbeeld staat hierboven een foto van Loek Hesseling samen met zijn ouders. Het is een vakantiekiekje genomen tijdens een tripje naar Parijs in augustus 1927.

Loek Hesseling overleed in 1945, vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij is 48 jaar oud geworden. Ongetwijfeld zonder het te weten heeft hij in de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde z’n eigen rol gespeeld.