De bloemtjens van het woud

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (82)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij
Illustratie: Susanne van der Kleij

Het verkleinwoord is een van de grootste wonderen van het Nederlands. Alleen al de standaardtaal heeft een heel pak uitgangen, zoals –pje (bloempje), kje (koninkje), etje (dingetje), –je (straatje) en –tje (maantje). En dan heeft zo’n beetje ieder dialect nog zijn eigen systeem van uitgangen, en lijkt het ook nog voortdurend in ontwikkeling.

Vorig jaar schreef ik al een keer over een verkleinwoordtie bij Maria Tesselschade Roemersdochter Visscher, hier is er een van ongeveer twee eeuwen later, bij J.J.L. ten Kate, in zijn sonnet Liefde:

Wat zwerft ge flauw en mat, o koeltjen, winterkind!
Met hijgende ademtocht door de afgestormde blâren?
De bloemtjens van het woud vergingen in den wind –
Gij zult er malschen dauw noch bloesemgeur vergâren!
En gij, die voor mij heen, gelijk een blauwend lint,
Langs kronklende oevers golft, zoover mijn blikken staren,
Bruis wilder voort, o Rijn! Wat sluimren thans uw baren?
Ach, wreed is ‘t ongeduld van hem die waarlijk mint!
Zweef, koeltjen! naar Elvire op fladderende wieken,
En lisp haar zacht in ‘t oor, hoe ge ieder uchtendkrieken
De boezemzuchten vingt van Een’, die voor haar gloeit!
En Rijnstroom! meld gij haar, hoe vaak op iedren morgen
Zijn tranen met uw stroom tezamen zijn gevloeid –
Maar – houdt gij beide toch voor Haar zijn naam verborgen!

Onderliggend

Zo’n dertig jaar geleden waren de verkleinwoorden zo’n beetje hét onderwerp van de Nederlandse klankleer. Iedere fonoloog die in die tijd iets voorstelde, schreef er wel iets over; en nog steeds is het een redelijk geliefd scriptieonderwerp.

De gedachte was lange tijd dat je van iedere uitgang maar één vorm in je hoofd op zou slaan, en dat die vorm zich aan de omgeving zou aanpassen. Ook in oostelijke dialecten hebben mensen in hun hoofd dat –n de meervoudsuitgang is van werkwoorden, en begin je dus met werkn, eetn, loopn. Vervolgens past die –n zich echter aan de voorafgaande medeklinker aan: omdat je k met de achterkant van je tong maakt, zeg je werkng, want ng maak je ook met de achterkant van je tong. Een p zeg je met je lippen, en daarom zeg je daarna de lipversie van de n – de m. Die ene, veronderstelde in ons hoofd opgeslagen vorm van zon uitgang noemde men de onderliggende vorm.

Problemen

Wat is nu de onderliggende vorm van het verkleinwoord? De meeste fonologen, misschien wel allemaal gingen ervan uit dat dit –tje moest zijn. Ook de –t– in die uitgang paste zich weer aan, nu in omgekeerde richting, in zekere zin: bloemtje werd bloempje omdat de p net als de m met de lippen wordt uitgesproken, zoals we immers net hebben gezien.

Er zijn allerlei problemen met die hypothese. Ze gaat er bijvoorbeeld van uit dat mensen zuinig zijn met hun geheugenruimte en zo min mogelijk vormen onthouden. Inmiddels weten we dat mensen juist heel veel detail kunnen onthouden, en dus ook wel een handjevol uitgangen voor de verkleinvorm. Bovendien zijn er allerlei uitzonderingen: bloemetje bijvoorbeeld, naast bloempje. Het Taalportaal geeft een lijst met zulke problemen.

Bosje

Dus nemen we meestal aan dat we al die achtervoegsels hebben, en dat we hooguit wat regels hebben voor welk achtervoegsel we in welk geval bij voorkeur gebruiken.

En toch, toch zit er ook wel wat in het oude idee. Zoals dat bloemtje dat Ten Kate kennelijk gebruikte. Dat was geen verschrijving of ingekorte vorm van bloemetje want de betekenis is er hier een van bloempje (kleine bloem; bloemetje betekent ‘bosje bloemen’). Het omgekeerde zie je niet: dat iemand maanpje schreef, of maankje. In ieder geval historisch gezien was die –tje wel degelijk een basisvorm.