Waarom taalkundigen kaarten maken

Door Marc van Oostendorp

1-s2.0-S0024384115002211-fx6Wij van het Meertens Instituut, wij maken, zoals jullie weten, kaarten. Dat doen we al tientallen jaren tot ieders tevredenheid – vroeger met de hand, en tegenwoordig met de computer.

Maar nu opgelet, want hier volgt een goede vraag: waarom maken we eigenlijk die kaarten. Wat moet je ermee, behalve je eigen geboorteplaats opzoeken om te kijken of er wel een balletje staat in de juiste kleur.

Voorbeelden

Daarover gaat een nieuw artikel dat mijn collega’s Sjef Barbiers en Hans Bennis samen met twee Utrechtse collega’s (Norbert Corver en Marjo van Koppen) onlangs publiceerden, en dat gratis online staat. Ik noem ze voor het gemak vanaf nu Bakobeco

In het artikel presenteren Bakobeco een nieuw hulpmiddel waarmee je heel makkelijk kaarten met elkaar kunt vergelijken; dat hulpmiddel staat gratis online. En juist uit dat vergelijken kun je allerlei dingen leren, laten ze zien, aan de hand van een paar concrete voorbeelden.

Personen

Zo ontdekten ze dat twee verschijnselen waarschijnlijk samenhangen: ze komen namelijk altijd in dezelfde grote regio voor, grofweg het Zuid-westen van ons taalgebied (Oost- en West-Vlaanderen, Antwerpen, Vlaams Brabant en Noord-Brabant). In die regio kun je dingen zeggen zoals:

  • Heb-de gij dè gezien? [Brabants]

Je zegt het onderwerp hier eigenlijk twee keer: met –de (Hebde dè gezien zou ook een goede Brabantse zin zijn) en met gij. Met de tweede persoon lukt dat in zo’n beetje het hele genoemde gebied, in Oost- en West-Vlaanderen kan het ook met andere personen:

  • Peize-k ik naast Peize-k (denk ik) [Lokeren]
  • Dee-se sij naast Dee-se (deed ze)
  • enz.

Gele stip

Dit verschijnsel noemen dialectologen om voor de hand liggende redenen onderwerpsverdubbeling. Bakobeco ontdekten dat precies in het gebied waar dit voorkomt, ook iets anders in het dialect voorkomt: mensen zeggen er zoiets als d’n dieje om naar iemand te verwijzen:

  • D’n dieje kumt mèrrege. [Hij / die komt morgen]

Ook dit is, zeggen Bakobeco, een soort verdubbeling. In de kaart hierboven kun je zien dat het inderdaad precies in dezelfde plaatsen voorkomt waar onderwerpsverdubbeling is. (Althans, er zijn daar wel een paar plaatsen te zien met alleen een rode of alleen een gele stip, maar Bakobeco tonen aan dat daar iets mis is met de beschikbare gegevens: die ontbreken of er is iets anders mee aan de hand.)

Gratis

De reden dat de twee verschijnselen altijd samen voorkomen is volgens Bakobeco dat ze in zekere zin dezelfde constructie zijn: ze bestaan eerst uit een zwakke vorm –de / d’n en dan een sterke vorm (gij, dieje).

Bakobeco zijn aanhangers van de gedachte dat de vorm van grammatica’s van talen en dialecten uiteindelijk wordt bepaald door de capaciteiten van de menselijke geest die ons allen zijn aangeboren. Talen maken daarbij keuzes uit een palet van mogelijkheden, maar één keer gekozen blijft gekozen. Kennelijk vallen deze twee soorten verdubbeling onder dezelfde keuzemogelijkheid op het palet: wanneer je onderwerpsverdubbeling kiest, krijg je dieje er gratis bij.

Correlaties

In hun artikel laten Bakobeco nog een aantal van dat soort samenvallende verschijnselen zien. Het doet er daarbij misschien niet eens zoveel toe of je hun specifieke verklaring, met dat palet, wel of niet gelooft. Ik vind het wel charmant om te proberen om een verklaring voor een geografisch patroon te vinden in de structuur van de menselijke geest, maar er zijn natuurlijk ook andere mogelijkheden – een historische verklaring, bijvoorbeeld, die zegt dat de twee veranderingen toevallig op min of meer hetzelfde moment in dezelfde invloedrijke plaats zijn ontstaan en samen zijn opgetrokken bij de verspreiding.

Het belangrijkste is dat je dit soort correlaties nu zo gemakkelijk kunt vinden – en daar taalkundige theorieën aan kunt toetsen.