Etymologie: zomp

Door Michiel de Vaan

zomp zn. ‘moeras’

Oudnederlands Sumpel onbekende plaats in Zeeland, letterlijk ‘kleine zomp’, bij Cadzand (1171), Middelnl. die zompe veldnaam ‘moeras, poel’ (1266), in de sumpe (1289), beide in West-Vlaanderen, vanden somple toenaam afgeleid van een toponiem (1280), in enen diepen tsomp (Brabant, 1390–1410), sumpich ‘moerassig’, verckensump ‘varkenspoel’, watersomp ‘moeras’ (1477). Nieuwnl. sompe (1599), somp (1630–1634) ‘poel, drassige plek’, sompelinghe ‘poel’ (1567), sompigh ‘moerassig’ (1599). In moderne noordoostnederlandse dialecten zomp ‘voer- of drinkbak voor het vee’.

Verwante vormen: Mnd. sumpt, zump m. ‘moeras; baktrog’, Oudhoogduits sunft, sūft, sumff ‘moeras’, Mhd. sumpf m. ‘moeras’, sumpfel ‘vloeibare maat’, Nhd. Sumpf ‘moeras’, Middelengels sump ‘moeras’, MoE sump ‘natte laagte in een mijn of grot’. Deze woorden gaan terug op Westgermaans *sumpa- m. ‘moeras’. Het hangt samen met zwam, dat uit PGm. *swamba(n)-, *swampa- komt en als basisbetekenis ‘spons’ had, vanwaar vaak ‘paddestoel, zwam’: Gotisch swamms ‘spons’, Oudnoors svǫppr ‘zwam’ (*swampu-), Ohd. swam(p) ‘zwam’, Engels swamp ‘moeras’. Dat laatste woord laat een betekenisovergang van ‘spons’ naar ‘sponsachtige grond’, ‘moeras’ zien.

Voor zwam reconstrueert Kroonen (2013: 495) een Proto-Germaanse n-stam met wisseling tussen b en p aan het stameinde: nom. *swambō, genitief *swamp(p)az, uit een oudere vorm *swombh-n- waarvan onzeker is of die op het Proto-Indo-Europees teruggaat (Kroonen denkt eerder aan een Europees substraatwoord). In ieder geval kan WGm. *sumpa- als nultrap bij dit woord horen, dat dan de ablautvarianten *swombh-n- naast *sumbh-n- had; de nultrap *-u- en de stemloze *-p- van zomp passen bij de variant *sumbh-n- die we bijv. in de genitief zouden verwachten.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.