Gratuit gezeik over A.F.Th. van der Heijden

President Tsaar op Obama Beach op de voet gevolgd (1/60)

Door Marc van Oostendorp

Memo 2016-06-25 06-47-05 +0000President Tsaar schreef ik gelijk op met de ontwikkelingen in de werkelijkheid,” zegt A.F.Th. van der Heijden vandaag in NRC Handelsblad. “op een aanvankelijk ongemakkelijke, tastende manier: iets geheel nieuws voor me.”

Het is daarom passend dat het feuilleton in de krant verschijnt. Zo kunnen wij van het publiek het verhaal op onze beurt ongemakkelijk, tastend lezen, gelijk op met de werkelijkheid. Om dat te eren wil ik deze zomer net als de schrijver ‘iets geheel nieuws doen’: dag-aan-dag meelezen met President Tsaar op Obama Beach. Vandaag stond de eerste aflevering in de krant <hier>.

Náást dat interview met Van der Heijden. Waarin de schrijver ingaat op de vraag of hij voor de feuilletonvorm in de krant niet van alles heeft moeten inkorten: “Er is vaak gratuit gezeik”, zegt hij, “over de omvang van sommige van mijn boeken, meestal door lui die ze niet gelezen hebben. Ik zeg dan: ‘De honderd pagina’s die jij eruit wilt hebben, zijn er al uit. Lees maar.’ Ik leg mezelf wel degelijk beperkingen op.”

In deze feuilletonversie zouden de beperkingen nog groter zijn: ze is inkorting van de eigenlijke roman die ooit moet verschijnen en waaraan de schrijver zelfs nog werkt. De eerste aflevering heeft ongeveer 700 woorden, dus alles bij elkaar kunnen we deze zomer zo’n 42.000 woorden verwachten – dat is inderdaad niet veel voor een roman, en zeker niet voor een roman van Van der Heijden.

Toch valt op hoe traag het verhaal op gang komt. In die eerste 700 woorden, wordt maar liefst vijf keer (dus een keer per 130 woorden) gewag gemaakt van het feit dat het bewolkt is:

  • waar, in het westen, de zon zich achter de wolken schuilhield
  • de parelgrijze lucht
  • maar vandaag was het bewolkt
  • Niet dat de bewolking de warmte tegenhield
  • tot hij zowat verticaal naar de wolkenhemel steeg

Dat de zon in het westen staat, zoals de eerste aangehaalde zin vertelt, betekent dat het ’t eind van de middag is, en ook dat wordt later nog eens gememoreerd (‘Het liep tegen zessen, schatte Oleg’), zoals er ook twee keer wordt verteld dat er zich Russen van elders bij de Oekraïense mannen hebben gevoegd (‘Russische instructeurs waren hier om onderricht te geven’, ‘Hij onderscheidde twee soorten Russisch: wat ze hier ‘Moskous’ noemden en het Russisch van de streek, dat hij zelf sprak’) en dat er gedronken wordt (‘daar diende iedereen een heldere kop bij te hebben – op die Russen zelf na dan’, ‘uit het schooltje achter Olegs rug [klonk] gelach, geschreeuw en gevloek, alles omlijst met gerinkel van glaswerk’).

Het is duidelijk dat in deze eerste aflevering de toon wordt gezet; en dat is een toon van dreiging, met die wolken en die drank, en niet te vergeten het wapentuig. De scène eindigt natuurlijk niet voor niets met de woorden ‘mijn ogen tranen nu al’. Maar waarom zou de schrijver zich zo nadrukkelijk en zo vaak herhalen, recht tegenover een pagina in de krant waarin hij omstandig uitlegt dat hij zichzelf beperkingen oplegt in lengte?