Column 107 : Voer voor vertalers : De laatste Toren ?

Door Willem Kuiper

In 1929 publiceerde de Amerikaan Arthur Dickson: Valentine and Orson. A Study in Late Medieval Romance. Schitterend boek! Daarin behandelt hij eerst Valentin und Namelos en vervolgens Valentin et Orson. Valentin und Nameloos is de Nederduitse vertaling / bewerking van de Middelnederlandse vertaling / bewerking van een verloren gegaan Oudfrans chanson de geste over een tweeling die onmiddellijk na hun geboorte gescheiden raakt. Het ene kind groeit op als vondeling in de periferie van het koninklijk hof van Frankrijk. Het andere in het bos, waar het gezoogd wordt door een berin en zo opgroeit als ‘wildeman’. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het Franse verhaal opnieuw en sterk uitgebreid in proza naverteld als Valentin et Orson. Die roman verscheen in druk, vond zijn weg naar de Lage Landen en werd daar vertaald als Valentijn ende Oursson. Ware de 16e eeuw wat rustiger verlopen, bijvoorbeeld zonder Beeldenstorm, Reformatie, Opstand, de hertog van Alva en de koning van Hispanje, dan zou de overlevering van de literatuur uit die dagen vast en zeker beter, zo niet véél beter geweest zijn. Nu bezitten wij geen oudere druk van Valentijn ende Oursson dan die van Jan Jacobszoon, Amsterdam 1657. Bijna anderhalve eeuw  jonger dan de vermoedelijk in Antwerpen vervaardigde vertaling.

Vorig jaar bezorgde ik een editie van Helena van Constantinopel. Een fantastisch verhaal! Al editerend bekroop mij het gevoel dat de auteur van Valentin et Orson deze roman gekend en gebruikt moest hebben. Wist Dickson dat? Die somt in zijn boek een aantal door gevonden bronnen op. Op zulke momenten zou je weer een kamer op het PCH willen hebben, want dan hoef je alleen maar wat trappen af te lopen en luttele minuten later weet je wat je weten wilt. Momenteel heb ik Die vergaderinge der historien van Troyen op de digitale lezenaar liggen. En weer bekruipt mij het gevoel, zeg maar de absolute zekerheid, dat de auteur van Valentin et Orson ook Le Recoeil van Raoul met smaak verorberd heeft en in zijn roman verwerkt. Wist Dickson dat? Gelukkig deed zich nu een concrete aanleiding voor om naar Amsterdam te gaan: een lezing van Marjolein Hogenbirk over Arturs doet. En dan is een bezoek aan de UBA balie in het PCH een kleine moeite. Nu weet ik dat Dickson wist dat La belle Hélaine als bron gebruikt is, maar ik weet nu ook dat het hem ontgaan is dat ook Le Recoeil als bron heeft dienst gedaan. Leuke lezing trouwens. Over de complexe wordingsgeschiedenis van Arturs doet, over Lodewijc van Velthem als de compilator van 129 A 10 [?] en zijn alter ego: kopiist B [?]. Ga ik het binnenkort ook eens over hebben. Houd u vast aan u bretellen!

In hoofdstuk 7 van boek I van Die vergaderinge der historien van Troyen wordt Jupiter smoorverliefd op Calisto, dochter van de zojuist door hem verslagen en verjaagde koning Lichaon. Maar jammer voor Jupiter, Calisto is te bedroefd om aan iets anders te denken dan aan de deconfiture van haar vader, en daarom besluit zij haar intrek te nemen in het klooster van Diana om daar de rest van haar leven als maagd te slijten. Jupiter is niet van zins haar keuze te respecteren. Hij vermomt zich als meisje en slaagt er zo in zich toegang tot dat klooster van Diana te verschaffen. Daar doet hij een wanhopige smeekbede aan Calisto om samen met hem het klooster te verlaten en van hun jeugd en het leven te genieten. Wat Calisto resoluut weigert. Helaas voor haar is Jupiter zo iemand voor wie het antwoord “Nee!” geen enkele zeggingskracht heeft. Hij verkracht haar.

In hoofdstuk 8 wordt haar zwangerschap opgemerkt en wordt haar bars en onverbiddelijk de deur van het klooster gewezen. Calisto trekt zich terug in het bos van Archaden en daar verbergt zij zich in een spelonk, waar zij bevalt van een zoon, Archas geheten.

Dese soen was groot ende grof van leden. Calisto voede hem mit wortelen ende cruyt onder de wilde beesten ende daer si of leefden, ende daer en was beest so vreselic dat hem misdoen dorst. Ende was so vreselic ende fier in sijn jonge jaren dat als hi seven jaer had, sijn moeder haer eens verstoerde op hem. Hi rees teghen haer op ende wildese doden, soe dat Calisto van bedwanghe vlieghen most voer hem doer bramen ende bosschen, ja, dat meer is, al geheel uut het bosch ende kiesen de stat van Pelagen daer Jupiter op dat pas in was.

[A]rchas achter[v]olchde Calisto tot inder stat ende tot in ’t palaes ende hielt in sijn handen grote ro[n]de stenen. Als Calisto in ’t palaes quam, bi aventuren ghemoet si Jupiter ende kende hem ende viel voer hem ter eerden ende bad hem mit een verstoerde, verbaesde gheest dat hi haer justici dede van sijn soen, die haer doden wilde. Jupiter die als niet en kende Calisto overmits dat [s]i qualic toeghemaect was ende half wildt, sach ’t kint Archas vast an ende dede het vanghen. Doe vraechde hi Calisto wie si was. Doe antwoerde si wenende: “Here, ic ben Calisto, die om dijn sonden langhe gebannen heb gheweest uut mijn cloester. Ic heb dit kint van dijn saet ontfanghen, zulc alstu hem hier sieste. Het is dijn kint! Ic heb ’t seven jaer in ’t foreest ghevoedt onder de wilde beeren. Het wil mi doden om dat ic ’t verstoert heb. Ic bid u, bescermt mi ’t leven!”
Als Jupiter hoerde de woerden van Calisto was hi seer blijde want men seyde dat si doot was, ende hi vertroestese als hi best mochte, ende hielt Archas ter leringe mit sijn moeder, die hem van doe voert so wiselic regierde dat hem Jupiter ter bede van die van Pelagen coninc van dat lant maecte ende cronen dede.

Het is duidelijk hoe Raoul denkt over de pedagogische kwaliteiten van een ongehuwde moeder: Archas is nog maar net onnozel kind af of hij bezorgt haar al onoverkomelijke problemen. Een zoon heeft een vader nodig. En zodra die er is, verliest Archas zowel zijn wilde haren als zijn wilde streken.

Er is nog een passage in het Recoeil die resonneert in Valentin et Orson. In hoofdstuk 15 maken wij kennis met koning Acrisius van (D)Arges, die een dochter heeft, Danes geheten. Zoals elke vader in het Oude Testament en de Griekse mythologie droomt hij van een nageslacht zo talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee. Maar zijn echtgenote baart hem slechts één dochter: Danes. Alsof dat niet erg genoeg is, krijgt hij in de tempel van zijn vergoddelijkte overgrootvader Bellus te horen dat zij een zoon zal baren die hem zal doen verstenen. Acrisius interpreteert dit als hem doden en tracht daarom het noodlot af te wenden door Danes op te sluiten in een toren die het equivalent is van onze Extra Beveiligde Inrichting in Vught. De toren is niet van hout, ook niet van steen maar van metaal, en daardoor oninneembaar: “une tour toute de fer”.

In het Franse hoofdstuk 19 – hoofdstuk 16 in de Nederlandse vertaling, die af en toe een alinea en een hoofdstuktitel overslaat – is die ‘tour de fer’ veranderd in een ‘tour d’arain’. Dat is een bronzen toren. Wist ik ook niet toen ik dat woord voor het eerst tegenkwam in Valentin et Orson, maar volgens het on-line woordenboek op de website Centre National de Ressources Textuelles et Lexicales is ‘airain’ brons en is die naam verbonden aan het Bronzen tijdperk. In Valentin et Orson is de schone Esclarmonde opgesloten in een tour d’arain. De lezer van Le Recoeil begrijpt de ironie. Enerzijds wil de bange koning zijn dochter opsluiten in een onkraakbare toren, anderzijds trekt hij juist ongewenste aandacht door haar op te sluiten in een bronzen, dat wil zeggen goudkleurige en lichtgevende toren. Voor Jupiter weegt de uitdaging zwaarder dan de opgesloten maagd Danes en hij slaagt uiteindelijk in zijn opzet. Volgens de mythologie bevrucht hij haar met een gouden regen, maar bij Raoul, die in navolging van Boccacio’s Genealogia deorum gentilium alles probeert te vermenselijken, koopt hij haar en de vrouwen die haar bewaken om met gouden sieraden. En zo wordt zij uiteindelijk toch zwanger, want tegen het noodlot is geen kruid gewassen.

Net als ik kende de vertaler het fenomeen tour d’arain niet. Zijn probleem was dat hij het niet kon opzoeken in een woordenboek. Misschien heeft hij het aan iemand in zijn omgeving gevraagd, maar die heeft dan waarschijnlijk geantwoord: “Al slaetstu mi doot”.  Wat wij als lezer zien, is dat de vertaler de combinatie ‘tour d’arain’ stelselmatig uit de weg gaat. Toren wordt vertaald, maar ‘d’arain’ wordt onder het tapijt geveegd. Totdat hij in hoofdstuk 23 denkt te weten wat een tour d’arain is en dit vertaalt met: “De laeste Toren”. Hetzelfde on-line woordenboek verklaart de vergissing: ‘derrain’ (dernier) betekent laatste’.

Arthur Dickson, die zo veel gelezen heeft, zal Le Recoeil niet gekend hebben. De parallellen zouden hem niet ontgaan zijn. De lezers van Bellaert zullen “De laeste Toren” kritiekloos geaccepteerd hebben als de naam van de gevangenistoren van Danes. Nog geen eens zo’n beroerde naam voor (een uitzichtloos bestaan in) een Griekse gevangenis.