Tollens óf Bilderdijk

Door Marc van Oostendorp

De dichter als idoolRoem is een identiteitskwestie: het gaat over wie mensen willen zijn. Dat is een van de conclusies die je zou kunnen trekken uit Rick Honings’ nieuwe boek De dichter als idool, dat vorige week verscheen.

In zijn boek bespreekt Honings hoe zeven negentiende-eeuwse Nederlandse dichters beroemd waren: Willem Bilderdijk, Isaac Da Costa, Elias Annes Borger, Hendrik Tollens, Nicolaas Beets, Piet Paaltjens en Multatuli. Allen werden zij door hun werk beroemde, en soms controversiële, figuren; allen kregen ze bewonderaars (door Honings ‘fans’ genoemd) en in sommige gevallen ook tegenstanders (‘antifans’). Er zat in de loop van de negentiende-eeuw ook wel enige ontwikkeling in de soort roem – al is het maar doordat er van Bilderdijk nog geen foto’s konden worden gemaakt –, maar je krijgt de indruk dat de voornaamste verschillen toch zaten in de verschillen in karakter tussen de dichters.

Honings verdeelt ieder van zijn hoofdstukken in tweeën. Eerst bespreekt hij de manier waarop de schrijver min of meer bewust een publiek imago van zichzelf creëerde. Beets suggereerde in zijn jonge jaren bijvoorbeeld dat hij van adelijke afkomst was, net als zijn held Lord Byron; terwijl Multatuli voortdurend uitwijdde over zijn grote armoe terwijl het geld als het ware in bakken werd binnengedragen. Daarna vertelt Honings iets over de fans en antifans.

Bescheiden

In beide gevallen gaat het dus over identiteit. De dichter geeft de lezers een beeld van wie hij is of wil zijn. De lezers blijken op hun beurt vaak aangetrokken door een schrijver vanwege het beeld dat ze van hem hebben en bovendien vaak hun gedrag of zelfs hun leefwijze op die schrijver te richten.

Wanneer iemand in dure kleren rondloopt, maar de hele tijd klaagt over zijn versleten broek, kun je min of meer bewijzen dat die persoon die dingen zegt om het beeld van de romantische dichter, miskend en vertrapt door eigen volk, te staven. In andere gevallen is dat moeilijker. Wanneer Tollens zich presenteert als een bescheiden man die eigenlijk te weinig scholing heeft gehad en sowieso maar moeilijk onder woorden kan brengen wat hem eigenlijk precies bezielt, is die bescheidenheid dan gespeeld? Het is in het begin een beetje verwarrend dat iedere mededeling van een auteur als self-fashioning wordt gepresenteerd.

Maar eigenlijk zit er natuurlijk ook wat in: alles wat iemand over zichzelf zegt, bepaalt niet alleen hoe die persoon wordt gezien, maar ook hoe die persoon is. Iemand die van zichzelf de hele tijd beweert dat zijn gedichten maar matig zijn, wordt daarmee vanzelf bescheiden.

Gematigdheid

Interessanter is nog dat ook het fandom heel veel te maken heeft met identiteit. Je wordt, zoals Da Costa, fan van Bilderdijk omdat pakweg diens radicale christendom je aanspreekt, en dan ga je hem ook imiteren in dat reactionaire gedrag. Die twee dingen hangen natuurlijk op een ingewikkelde manier met elkaar samen: iemand met een wat minder orthodoxe predispositie zou waarschijnlijk wat minder snel in de ban van de Leidse Homerus gekomen zijn, en tegelijkertijd kon je moeilijk met Bilderdijk dwepen zonder zijn gedachtegoed op zijn minst voor lief te nemen.

Een gevolg daarvan is het curieuze verschijnsel dat zich nu nog steeds voordoet dat je geen fan kunt zijn van de een zonder een enorme hekel te ontwikkelen aan de ander. Je moet kiezen tussen de Beatles en de Stones, tussen Steve Jobs en Bill Gates, tussen Harry Mulisch en Gerard Reve, of in het Nederland van de 19e eeuw, tussen Bilderdijk en Tollens: de man van de grootse meeslepende individualiteit of de man die Nederlandse deugden als gematigdheid bezong en uitdroeg. Gerrit van der Linden dweepte met Bilderdijk en kon daarom Tollens niet uitstaan.

Bewonderd

Honings laat overtuigend zien hoe fans ook in de negentiende-eeuw eigenlijk altijd het werk al autobiografisch begonnen te lezen: het ging over de schrijver zelf, ook als het op het oog over iets of iemand anders ging. Wat dat betreft valt er dus weinig te klagen wanneer een interviewer een schrijver met zijn romanfiguren verwart: dat is al minstens twee eeuwen aan de gang. Toch is er duidelijk ook wat veranderd, want ik kan me geen recente voorbeelden voor de geest halen waarin mensen bewonderde schrijvers zozeer tot voorbeeld namen voor hun levensinstelling. Ik denk dat dit ergens in het midden van de 20e eeuw afgelopen moet zijn – na Ter Braak en Du Perron zijn schrijvers nog enorm bewonderd, maar ik heb niet de indruk dat er nu nog iemand is die zich zo wil kleden als Connie Palmen, of iedere keer dat ze gaat stemmen eerst overweegt wat Manon Uphoff er eigenlijk van zou vinden.

Rick Honings. De dichter als idool. Literaire roem in de negentiende eeuw. Amsterdam: Bert Bakker, 2016.