Erasmus’ strijd tegen de oorlog

Door Ton Harmsen

Benlliurs CharonIn het derde hoofdstuk van zijn autobiografie (La vita scritta da lui medesimo) staat Benvenuto Cellini tegenover een dreigende groep mensen. Onvervaard zwaait hij met een mes, terwijl hij zelfverzekerd uitroept: ‘als iemand mij aanvalt, haal dan snel de biechtvader, want de dokter zal niets meer voor hem kunnen doen’ (corra per il confessoro, perchè il medico non ci avrà che fare). Het is grootspraak, het is spotten met de dood. Ik moet eraan denken bij de wrange grap die Erasmus in zijn colloquium ‘Charon’ maakt over de dood van de Vrede.

Erasmus was geen politicus; hij heeft niet bijgedragen aan het oorlogsrecht of aan supranationale instituties zoals Hugo de Groot deed. Maar vrede is een enorm belangrijk thema in al zijn werken, en het denken over oorlog en vrede heeft hij ingrijpend beïnvloed. Sommige werken zijn er zelfs geheel aan gewijd, zoals Klacht van de Vrede (Querela Pacis van 1517) en het overbekende adagium ‘Oorlog lijkt mooi voor wie geen oorlog hebben meegemaakt’ (Dulce bellum inexpertis). Ook in de Colloquia spreken burgers vaak vol afschuw over hun oorlogszuchtige vorsten. In Charon verplaatst Erasmus de dialoog naar de absurdistische situatie van de onderwereld.

In 1529 nam Erasmus ‘Charon’ voor het eerst op in de Colloquia, maar het gesprek was al eerder gepubliceerd in de verzamelbundel Lucubrationes (1523). Daarin zit ook de briefwisseling van Erasmus met paus Adrianus de Eerste (†1523), de enige Nederlander die tot paus is gekozen en de enige paus die geen legeraanvoerder was. Erasmus weigerde zich in het keurslijf van de kerk te laten dwingen, dat scheidde hun geesten; maar hun beider streven naar vrede en vroomheid verbond hen zeker. Dat het met de vrede in Europa niet snel goed zou komen was voor de paus even duidelijk als voor de geleerde: de vete tussen de Habsburgse keizer Karel V en de Franse koning Frans I leidde tot de ene veldslag na de andere. Het ergste moest nog komen: de gruwelijke slag bij Pavia (1525) en de Sacco di Roma (1527), toen de Habsburgse troepen Rome plunderden. Nog honderd jaar later wijdde Pieter Nootmans zijn treurspel Van den bloedigen slach van Pavyen aan het rampzalige conflict tussen koning, keizer en paus.

De voortdurende oorlogen zijn Erasmus een doorn in het oog geweest. Hoe machteloos hij ook was, nooit heeft hij zijn verzet tegen de bellicose vorsten opgegeven. Met de dialoog ‘Charon’ analyseert hij onverhuld de ernstige gevolgen van het vorstelijke wanbeleid met een scène in de onderwereld. Het personage Charon, de veerman die de zielen van de doden overzet, ontleent hij aan een van de Godengesprekken van de Griekse auteur Lucianus. Die laat de veerman met Mercurius filosoferen over de dwaasheid van de mensen terwijl ze vanaf een stel opgestapelde bergen over de wereld uitkijken (de absurdistische humor die typerend is voor Lucianus). Bij Erasmus is de dwaasheid ontaard in grenzeloze bloeddorstigheid. Charon bezoekt niet de hem onbekende wereld: hij krijgt zelf bezoek, en wel van ‘Alastor Genius’, in de uitgave van Dirck Pietersz Pers (1634) zeer treffend vertaald als ‘Alastor een duyvel alle quaet aenbrenghende’. Wat het woord ‘Genius’ hier betekent blijft in de commentaren vaak onderbelicht; de Toronto-editie van Erasmus (dat is de meest gezaghebbende Engelstalige editie) schrijft onbekommerd: ‘In Greek mythology a destructive, avenging spirit, a genius malus.’ Alastor is echter geen aanstichter van kattenkwaad: hij is de personificatie van de grote vervloekingen die hele families vernielt, aanstichter van moord en eeuwige wraakzucht. De Griekse tragedie is aan Alastor schatplichtig. Het is dus niet zomaar een genius die Erasmus met de veerman van de dood laat spreken, en Pers heeft dat goed gezien.

Pers laat in zijn vertaling een mooie wending van Erasmus liggen. Die gebruikt het woord ‘Superi’, dat normaal ‘de goden’ betekent: degenen die boven ons wonen. De geestigheid van Erasmus is dat hij het woord hier gebruikt voor degenen die boven de onderwereld wonen, en dat zijn de levende mensen. Jeanine de Landtsheer, de meest recente vertaler van deze dialoog (in de reeks Erasmusvertalingen van Athenaeum – Polak & Van Gennep) vertaalt het mooi met ‘in de bovenwereld’; het perspectief is dus vanuit de onderwereld. De normale betekenis van ‘de bovenwereld’ is de hemel. Zij behoudt dus de bijzondere betekenis die Erasmus aan het woord ‘Superi’ geeft. Pers vertaalt ‘by de levendigen’ waarmee hij het verrassende perspectief verwaarloost. En dan brengt Erasmus zijn eigen vredesactivisme ter sprake. Charon vreest voor zijn broodwinning:

Charon. Maer het is te vreesen, datter niet eenen duyvel op en stae, die haestelijck tot vrede vermane, en de herten der menschen zijn veranderlijck. Want ick hoor, datter by de levendigen eenen veel schrijver is, [Noot: Hier meent Erasmus hem selve.] die niet op en hout met zijn pen den krijgh swart te maken ende tot vrede te vermanen.
Alastor. Die heeft al over langh den doove gesongen. Hy heeft eertijts een Klachte der verjaechder vrede gheschreven, nu heeft hy van de selver, dewijl sy dood is, een graf-schrift geschreven.

In Truth and irony, philosophical meditations on Erasmus (2015) schrijft T.J. Martin:

Alastor tells Charon not to worry: though this man has written a certain ‘Complaint of Peace,’ it has had little effect. Indeed, Alastor says, ‘he’s sung to deaf ears this long while’; and, besides, there are more influential preachers in the world who teach that ‘war is just holy and right.’ (p. 149)

Maar de morbide grap zit hem juist in de opmerking dat de vrede geen dokter meer nodig heeft: zij ligt al in haar graf, en Erasmus zou (naar eigen zeggen) een grafschrift voor haar geschreven hebben. In werkelijkheid heeft Erasmus dat natuurlijk nooit gedaan; een epitaphium voor de vrede zou betekenen dat hij zijn zaak verloren en opgegeven had. Maar met de suggestie van een grafschrift voor de vrede heeft hij haarscherp de dramatische staat waarin de wereld verkeert afgetekend. Het is de taak van een editeur hierop te wijzen; Pers geeft geen ander commentaar dan de geciteerde noot: Erasmus verwijst naar zichzelf. Halkin, Bierlaire en Hoven, die de Colloquia hebben uitgegeven in de Amsterdamse Opera Omnia (eerste orde, derde deel, 1972 p. 578) beperken zich tot de annotatie ‘Allusion à la Querela pacis de 1517.’ Maar Craig R. Thompson ziet het goed in zijn commentaar in de Toronto-editie (deel 40 p. 827):

‘Now he’s written the epitaph’ does not refer to another composition but is a figurative way of saying that the chances of peace are even dimmer than thet were earlier; melancholy news except to Charon.

Alastor gaat verder, met een onverholen aanklacht tegen de monniken die zowel in Frankrijk als in Spanje oproepen tot een heilige oorlog – de god van het christendom zou beide zijden in het conflict steunen:

Daerentegen zijn andere, die onse sake niet minder helpen, dan de rasende Godinnen selfs.
Charon. Wie zijn doch dese?
Alastor. Daer zijn sommige  dieren met swarte ende witte mantels, met asch-verw-de-rocken, ende met verscheyden vederen verciert: dese en wijcken nimmermeer vande Hoven der Vorsten, sy blasen de liefde des oorloghs in de ooren, porren de Heeren ende het volck daer mede aen: in die Euangelische Predicatien roepen sy, dat de krijgh rechveerdig, heylich ende Godsaligh is. En op dat ghy u te meerder over het dappere ghemoet dier menschen verwonderen meught, sy roepen ’t selve by beyde de partijen. By de Francoysen predicken sy, dat God aen de zijde der Francoysen is, en dat de ghene niet overwonnen konnen werden, die God tot eenen beschermer hebben. By de Engelschen en Spanjaerden predicken sy, dat dese krijgh niet van den Keyser, maer van God ghevoert wert: dat sy haer maer betonen dappere plannen te zijn, dat de victorie seker sy. Indien yemand verslaghen wert, dat die niet en vergaet, maer dat hy stracx, ghelijck als hy gewapent was, inden hemel opvliegt.

Dit is voor Erasmus het wezenlijke punt: godsdienst is erger dan opium voor het volk. Het is een argument om de wapens op te pakken, een argument dat willekeurig door alle partijen kan worden ingezet om hun aggressiviteit te rationaliseren. Zijn omschrijving van priesters en monniken als ‘dieren met swarte ende witte mantels, met asch-verw-de-rocken’ is herkenbaar voor iedereen die de Lof der Zotheid gelezen heeft.

http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Latijn/ErasmusColloquia1634.html#charon

 

Dit bericht is geplaatst in column, letterkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.