Eindexamen vwo 2016: de enig juiste interpretatie van ironie

Door Marc van Oostendorp

Het is ze weer gelukt: vanmiddag werd het centraal eindexamen Nederlands bij vwo-scholieren afgenomen en ik ben weer uit mijn humeur. Wat is dat toch een afschuwelijke wereld, die je binnentreedt als je het examenblad openslaat. Wat ben ik toch blij dat je die wereld buiten het eindexamen nooit tegenkomt; en wat betreur ik die arme meisjes en jongens die hun entree tot het volwassen bestaan moeten maken door zich te conformeren aan een manier van lezen die ik verwerp.

Het is een wereld waarin je ondubbelzinnig kunt aanwijzen wat de ‘belangrijkste gedachte’ van een tekst is, benevens de ‘voornaamste argumentatie’ die er wordt gebruikt – allebei de kwesties worden herhaaldelijk aangesneden. Een wereld waarin zelfs de ironie objectief vaststelbaar is, en een wereld waarin het je de kop kost als je een uitwerking een precisering noemt, of andersom. Het is een wereld waarin je kortom leest op een manier die niet alleen alle vreugde uit het lezen slaat, maar die ook volkomen onzinnig is.

Dit is het vierde eindexamen vwo op rij dat ik maakte en het bezwaar is en blijft hetzelfde: dat het tekstbegrip en argumentatie pretendeert te toetsen, maar dat doet in een gesloten vorm terwijl met name argumentatie als vak en als vaardigheid natuurlijk impliceert dat voor iedere stelling wel iets te zeggen valt. Vwo’ers, de toekomstige intellectuele elite in een samenleving waarin nuance en het kunnen zien van verschillende kanten in ieder debat dringend gewenst is, leren te doen alsof er op iedere vraag slechts een correct antwoord bestaat.

Ik geloof dat er dit jaar (weer) wat minder meerkeuzevragen zijn dan in andere jaren, maar dat verandert niets aan het gesloten karakter van de vragen, die je over het algemeen met slechts een paar woorden mag beantwoorden. Neem de volgende zin, uit een artikel van de historicus Chris van der Heijden:

2+2 is zonder twijfel 4, maar als je naar internet gaat en ‘2 plus 2 isn’t 4′ intikt, krijg je toch verrassend veel verwijzingen, niet alleen naar Orwells roman 1984, maar ook naar wiskundige wijsheden die althans ik maar zeer ten dele kan volgen.

Het vragenboek haalt de laatste woorden (vanaf ‘wiskundige wijsheden’) aan en vraagt dan:

Welke twee interpretaties van bovenstaand citaat zijn verdedigbaar? Geef antwoord in een of meer volledige zinnen en gebruik voor je antwoord niet meer dan 40 woorden.

Jawel, er zijn volgens de examenmakers precies twee interpretaties die ‘verdedigbaar’ zijn, zonder dat naar een expliciete verdediging gevraagd wordt. Natuurlijk begrijp ik intuïtief wel wat die interpretaties zijn (wiskunde is te moeilijk voor Chris van der Heijden of wat erover wiskunde wordt beweerd op het internet is onzin), maar waarom is pakweg de interpretatie dat de auteur benadrukt dat je op internet nieuwe dingen kunt leren en in contact kunt komen met onvermoede werelden niet ‘verdedigbaar’? Is er een objectieve maat van verdedigbaarheid van tekstinterpretaties?

Het probleem wordt ook heel duidelijk bij de volgende vraag (over een tekst van Rutger Bregman):

Alinea 14 zou gelezen kunnen worden als een zelfstandige redenering.  Benoem de verschillende onderdelen van deze redenering. Neem daartoe de eerste en de derde kolom van onderstaand schema over en vul die verder in. Kies daarbij uit de volgende termen: conclusie, constatering, hypothese, oorzaak, precisering, stelling, tegenwerping, voorbeeld, voorwaarde, uitwerking.

I. II. III.
1 Natuurlijk, er zijn best werknemers die van baan willen veranderen.
2 Dan zijn ze op zoek naar ‘een nieuwe uitdaging’ of willen ze gewoon meer geld verdienen.
3 Een nieuwe baan mag in de optiek van de werknemers echter niet ten koste gaan van hun baanzekerheid.
4 ‘Het gaat niet om baanzekerheid, het gaat om werkzekerheid’, haasten werkgevers zich daarbij aan te tekenen. < al gegeven> Tegenwerping
5 Werknemers zouden zich volgens hen niet zo druk moeten maken over hun contract, ze moeten er gewoon voor zorgen dat ze aantrekkelijk blijven voor werkgevers.
6 Maar dat is een wereld van verschil: baanzekerheid is een recht, werkzekerheid een gunst.

Een van de evidente problemen met deze passage is dat er op twee niveaus wordt geargumenteerd. De auteur heeft een bepaalde redenering, maar tussendoor komen de werkgevers ook nog iets vertellen. Het probleem dat dit veroorzaakt wordt al geïllustreerd door de ‘al gegeven’ analyse van zin 4. Deze zin noemt inderdaad een tegenwerping, namelijk vanuit het gezichtspunt van de werkgevers. Maar tegelijkertijd zou je kunnen zeggen dat het een constatering is, namelijk van de auteur over wat de werkgevers zeggen. Zoals de laatste zin niet alleen een conclusie is (het ‘juiste’ antwoord volgens het correctiemodel) maar ook een tegenwerping, tegen de werkgevers.

Het is het probleem van het eindexamen in een notendop: subtiele, genuanceerde teksten worden voorgelegd aan leerlingen die vervolgens moeten doen alsof die teksten eenduidig zijn en simpel. Dat is geen lezen, dat is trucjes toepassen.