Een Schip op strand is een gewisse baak in Zee

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (68)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Literaire genootschappen waren het internet van de achttiende eeuw. Iedereen kon van alles en nog wat gepubliceerd krijgen, liefst anoniem, en iedereen kon, al even anoniem, ongeremd commentaar leveren op het werk van anderen. 
Zo verscheen in 1777 in Mengeldichten van het Genootschap ten spreuke voerende ‘Volmaakter door den tijd’ (eerlijk gezegd wel een titel die moeilijk tweetbaar is) onder andere het volgende anonieme ‘klinkdicht’:

De liefde

Wie droeg Anchises uit den fellen Troischen brand?
Wie hield door ’s dogters zog den vader in het leeven?
Wie rukte ’t blinkend staal uit ’s wreeden moorders hand?
Wie redd’ de moeder met gevaar van zelf te sneeven?

Wie houd de maatschappij in ’t allernaauwst verband?
Wie doet een weêuw aan ’t lijk van haaren ega kleeven?
Wie werkt een wonder vuur in ’t jeugdige verstand?
Wie durft door ’t grootst gevaar kloekmoedig henen streeven?

Wie heeft de mannen op der vrouwen rug gelaên?
Wie deed een’ dwingeland op ’t hoogst verwonderd staan?
Wie daalde uit ’t hemelhof die lucht en wolken kliefde?

Wie tart den hoon en smaad van ’t lasterend gespuis?
Wie bond den Heiligsten aan het gevloekte kruis?
Wie brengt een hellewigt ten hemel in? DE LIEFDE.

Toegegeven, de vele generaties die de afgelopen 240 jaar geleefd hebben zonder kennis te kunnen nemen van dit sonnet omdat Google Books nog niet bestond, hebben weinig reden om hun geld terug te vragen vanwege een verspild leven. Het gedicht laat vooral voor de zoveelste keer zien dat het sonnet in deze tijd vooral als een curiosum werd gezien, met allerlei bizarre subgenres zoals, in dit geval, het vraagsonnet waarin dus veertien vragen werden gesteld met allemaal hetzelfde antwoord, dat in dit geval voor de zekerheid zowel in de titel als aan het eind van het gedicht gegeven wordt.

De recensenten van de Nederduitsche dicht- en toneelkundige bibliotheek, behelzende vrijë en onpartijdige beoordelingen van poëtische werken waren niet overtuigd: was het antwoord op al die vragen wel echt ‘de liefde’? “Antwoorden wij op Reg. 1 Eneas. op Reg. 2. Simon van Atheenen. op Reg. 3 een Moorder die sterker was. op Reg. 5. de Eendragt, op Reg. 6. Smeer of Vet. op Reg 8. een Vroom Mensch. op Reg. 10 de Vriendschap. op Reg. 12. de Deugd. op Reg. 13. Haat en Onkunde. en de slotregel op Reg. 14. zelf Gods vrije Genade.” Het is het soort onbarmhartig lezen (haha! een weduwe die aan haar man gekleefd zit, dat is geen liefde, dat is vet!) dat je op het internet nog steeds tegemoet klotst.

Ook verder deugde er volgens de anonieme recensent niet veel van het anonieme gedicht: “Bovendien is dit stuk zeer stijf, en het blijkt genoeg aan de gedrongenheid van Reg. 11. dat Reg. 14. reeds voor deezen gemaakt was. Wij raaden jonge Dichters hunne geest op dusdanige stukjes niet te verpijnen, zelden vallen zij goed uit: men denke aan ’t Spreekwoord: Een Schip op strand is een gewisse baak in Zee.

Dat spreekwoord kende ik niet, maar het blijkt nog steeds te bestaan (het betekent dat je kunt leren van andermans ongeluk: als iemands schip gestrand is kunnen andere schippers het gestrande schip als baken gebruiken), althans Onze Taal besteedt er op zijn onvolprezen website aandacht aan.

Want dat heeft het internet van de 21e eeuw ons gebracht: behalve een heleboel slechte gedichten en nog slechter gelees van heden en verleden, ook de mogelijkheid om dat allemaal te lezen.