Wiskunde en taal zijn verschillend

Taal en getal (2)

Door Marc van Oostendorp


illustratie: M. van Oostendorp

Wiskundigen gebruiken een heel ander deel van hun hersenen om over wiskundige problemen na te denken dan om naar taal te luisteren. Wanneer je ze mondeling een probleem geeft, zie je eerst even de taalcentra werken, maar daarna speelt de activiteit zich af in een heel ander hersengebied – dat van de getallen.

Dat is een van de verbazingwekkende dingen die ik heb geleerd tijdens het symposium over taal en getal dat ik momenteel in Leiden bijwoon en waarvan ik hier live verslag uitbreng. Het klinkt op het eerste gehoor misschien niet eens zó vreemd: zit je wiskundeknobbel niet inderdaad ergens anders dan de taalvaardigheid? Maar veel taalkundigen, ook ikzelf tot maandag (toen ik nog jong was, mijn gouden dagen), gaan ervan uit dat het ontleden van een zin (‘de man ziet zijn hond’: de man onderwerp, ziet zijn hond gezegde, ga zo maar door) een wiskundige operatie is. En stiekem misschien wel dat op zijn minst de algebra een soort taal zonder woorden is.

Maar uit de lezing die de Franse neuroloog Stan Dehaene hier gaf, bleek dat helemaal niet zo zijn.
Het hersengebied dat wiskundigen gebruiken om over hun wiskunde na te denken overlapt zelfs niet (of maar heel minimaal) met wat ze gebruiken voor taal. Het gaat eerder over een gebied dat wij niet-wiskundigen gebruiken om over getallen na te denken. Dat geldt ook als de wiskundige problemen helemaal niet duidelijk iets met getallen te maken hebben: ook geometrische problemen lijken daar te worden afgewerkt. (De onderzoekers vonden eigenlijk geen duidelijk verschil tussen heel verschillende wiskundige problemen, hoe divers die ook aanvoelen. Dat was misschien wel het volgende verbazingwekkende resultaat.)

Toch is er volgens Dehaene wel een overeenkomst tussen de manier waarop taal werkt en de manier waarop wiskunde werkt in het brein. Beide maken gebruik van een deel van de prefrontale cortex waarin verbindingen worden gemaakt, waarin je ideeën aan elkaar kunt koppelen. Dat je dat doet om wiskundig creatief te zijn, is misschien wel duidelijk. Maar je doet dat ook om de ideeën over ‘een man’, ‘zien’ en ‘een hond’ op een bepaalde manier aan elkaar te verbinden. In wiskunde en taal kun je telkens nieuwe ideeën aan elkaar koppelen op een manier die andere dieren niet kennen.

Het maken van die verbindingen tussen heel verschillende delen van de hersenen, dat zou dan ook weleens hét kwalitatieve verschil kunnen zijn tussen mensen en apen, liet Dehaene zien met enkele nieuwe experimenten uit zijn laboratorium. Wanneer je mensen en apen een paar keer sequenties van drie dezelfde tonen laat horen en dan één heel andere toon, ontdekken ze daar allebei wel een patroon in. Maar mensen verbinden in hun hoofd ook de twee dimensies van dit eenvoudige probleem (toonhoogte is de ene dimensie, het patroon van 3x A en 1xB de andere), terwijl die in de apenhersenen los blijven zitten van elkaar.

Dat aan elkaar verbinden van heel verschillende aspecten van de werkelijkheden – volgens sommige taalkundigen is dat de essentie van taal. Op die abstracte manier is wiskundig denken natuurlijk ook taaldenken.

Maar alleen op die abstracte manier.