Winners en verliezaars

Door Marc van Oostendorp


‘Verliezer’
Illustratie: M. van Oostendorp

Onlangs meldde iemand het op Meldpunt Taal: bij de Rijdende Rechter had iemand verliezaars gezegd, of om preciezer te zijn: ‘Er zijn geen winnaars, er zijn alleen verliezaars’. (De Rijdende Rechter is tegenwoordig sowieso een must voor iedere taalwatcher, laatst zei er ook iemand ‘ik ben heel frappant’.)

Google leert dat de vorm wel vaker voorkomt; in 2009 werd er bijvoorbeeld al over gediscussieerd naar aanleiding van een uitspraak van een profbokser die het ook al over ‘winnaars en verliezaars’ had gehad. Verschillende deelnemers van de discussie meldden toen dat ze het ook uit het (Rotterdamse) kroegleven kenden. De oudste vindplaats die ik kan vinden is uit 2005; in Delpher of de DBNL kan ik niets vinden, ook niet in Rotterdamse bronnen.

Toch valt de vorm wel te begrijpen.
Er is iets bijzonders aan de achtervoegsels –er en –aar:  ze betekenen hetzelfde, en wanneer je de een gebruikt en wanneer de andere hangt af van de vorm van de stam van het werkwoord. Eindigt die op een lettergreep met een toonloze e (wandel, reken, erger), dan komt er –aar, en anders (loop, drink, praat) dan is de vorm –er. De reden is waarschijnlijk dat je wil voorkomen dat je twee toonloze e’s achter elkaar krijgt. Er zijn een paar vormen die uitzonderlijkerwijs –aar krijgen (leraar, dienaar) en als de stam eindigt op een toonloze e en daarna een m (adem), dan is de vorm juist wel –er. 

Dat is allemaal enorm interessant en een paar jaar geleden greep een en ander mij zo aan dat ik er een gedicht over geschreven heb. Er zijn in het Nederlands geen andere achtervoegsels die zich op deze manier tot elkaar verhouden, en ieder kind moet eigenlijk voor zichzelf steeds zien uit te vissen hoe het zit, want deze materie wordt op school niet onderwezen en ook ouders maken zich er weinig druk om of hun kroost wel de juiste vorm gebruikt.

Dat is ook niet nodig: het gaat al generaties vanzelf goed, maar soms staat een vorm kennelijk onder druk. Dat blijkt hier het geval en het vermoeden lijkt mij gerechtvaardigd dat dit iets te maken heeft met het feit dat ‘winnaars en verliezers’ als een paar komen. De parallellie in betekenis wordt hier wel heel wreed doorbroken door het verschil in vorm. Je kunt dat op twee manier gelijktrekken, en allebei die manieren komen voor: naast winnaars en verliezaars zijn er ook winners en verliezers

Welk van de twee vormen het uiteindelijk zal winnen lijkt mij nog moeilijk te bepalen. Winners heeft misschien het voordeel dat het ondersteund wordt door het Engels, maar aan de andere kant is aar juist in het Nederlands de makkelijkere vorm: het is degene die je eigenlijk overal aan kan plakken zonder vrees voor rijtjes toonloze e‘s.