Is onze taalverarming te stuiten?

Onverwachte vragen uit de wetenschapsagenda (14)

Door Marc van Oostendorp

Ik ken mensen die boos zijn op taalkundigen. Niet dat zij de straten van de hoofdstad afschuimen op zoek naar Kees Hengeveld om deze een muilpeer te verkopen, of dat zij slogans schilderen (‘Linguists Go Home’) op het huis van Pieter Muysken, maar zij hebben met onze discipline wel iets te verhapstukken: waarom ondernemen wij geen actie – actie tegen de afbraak van de Nederlandse taal?

Natuurlijk komt die woede voort uit verontrusting over die afbraak en verontruste burgers moeten wij van de elite zoals bekend altijd serieus nemen. Uit deze verontwaardiging komt denk ik ook deze vraag aan de Wetenschapsagenda voort:

  • Is onze taalverarming te stuiten? Hun hebben…., het paard, die…. Op allerlei manieren lijkt onze taal in toenemende mate verkeerd gebruikt te worden. Kan die tendens gekeerd worden of is er sprake van een onvermijdelijke verandering omdat taal immers leeft en met zijn tijd meegaat? Betekent taalverschraling ook een beperking op het niveau van denken? Of het toenemend gebruik van Engelstalige woorden ook een meer Amerikaanse manier van denken?
Aan deze vraag liggen natuurlijk een heleboel verzwegen veronderstellingen ten grondslag. Dat hun hebben en het paard, die tekenen zijn dat onze taal ‘verkeerd’ gebruikt wordt, en voorts dat zulks ‘in toenemende mate’ gebeurt. Dat een en ander leidt tot ‘verarming’ van de taal. In de volgende zin relativeert de vraagsteller een en ander zelf: misschien gaat de taal wel met zijn tijd mee. (En een arme tijd leidt onherroepelijk tot een arme taal.)
Aan al die onderliggende aannames wil ik nu maar eens voorbij gaan, want anders komen we nooit aan de kern van de zaak, hetgeen waar het de vraagsteller om te doen is. Het Nederlands is duidelijk aan het veranderen en laten we niet discussiëren over de vraag of dit wel of niet ‘verkeerd’ is of een ‘verarming’, maar proberen antwoord te vinden op de vraag: valt het te stuiten?
Sociale druk
Het antwoord op die vraag is: wanneer er een stuitwijze bestaat, heeft de wetenschap die nog niet ontdekt. Met uitzondering van één gebied, de spelling, zijn er geen voorbeelden waar een samenleving erin is geslaagd een taal zo te codificeren dat ze niet meer verandert. Men kan een taalpolitie instellen of een Taalacademie, maar een aanwijsbaar resultaat heeft dat nooit ergens gehad.
Natuurlijk wordt taalverandering op een bepaald gebied soms aanzienlijk vertraagd, bijvoorbeeld doordat mensen zich aan die verandering gaan ergeren en lui die wel meedoen met de verandering daarop gaan beoordelen. Ik ken geen voorbeelden waarbij een verandering op deze manier aantoonbaar werd stilgezet, maar enig uitstel valt wel te bereiken met sociale druk. Alleen is het volkomen onduidelijk hoe je zulke sociale druk zou moeten organiseren – zeker in een samenleving waarin het ontzag voor autoriteit terecht of ten onrechte flink is afgebrokkeld.
Urgentie
Nog een kanttekening is dat het onder speciale omstandigheden soms wel lukt om met repressie en strenge maatregelen de taal in het openbare domein ‘zuiver’ te houden. Een goed voorbeeld is hier de Arabische wereld, waar in de media nog steeds vaak een Standaard-arabisch wordt gebruikt dat vrij dicht ligt bij de taal van de Koran. Het probleem is dan echter dat de taal die mensen thuis en op straat gebruiken ondertussen steeds verder afdrijft van de taal van de media. Zodat het Arabisch van de gemiddelde Tunesiër en dat van de nieuwslezer inmiddels ver van elkaar afliggen.
Dat er nog geen goede manieren zijn gevonden om de maatschappij zo te beïnvloeden dat ze de taal niet meer verandert, betekent logischerwijs natuurlijk niet dat we niet op zoek zouden kunnen gaan naar dergelijke methoden. Dat taalkundigen zoiets niet doen, zou men hen dus eventueel kunnen verwijten. Maar in dat geval komen we uiteindelijk toch weer terug bij de onderliggende aannames van de vraag, namelijk dat er iets onherstelbaar misgaat als wij hun hebben zeggen, of een Amerikaans woord gebruiken. Ook voor die aannames is weinig grond. Vandaar dat de urgentie om alles te laten zoals het nu is erg gering is.