“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit” (Vincent van Gogh)

 door Jan Stroop

De bijzin zonder ‘dat’, anno 2016

<!–Bij mijn lectuur van de brieven van Vincent van Gogh waren me twee grammaticale eigenaardigheden opgevallen. De eerste is ’t overvloedige gebruik van ’t wederkerend voornaamwoord bij begrijpen: ik begrijp me dat heel goed. Daar ging mijn vorige stukje over.

Het tweede verschijnsel dat me opviel is de gewoonte van Van Gogh om ’t onderschikkende voegwoord dat weg te laten in zinnen als:  ik hoop het hem goed zal gaan (7 augustus 1873);  ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit (22 september 1884)

 

Zinnen die beginnen met de frase ik hoop, ik denk, ik geloof of ik ben blij die gevolgd wordt door een bijzin zonder dat zijn in Van Goghs brieven frequent aanwezig. Een kleine selectie:
Ik hoop zoo wij elkaar voor dien tijd nog eens zien zullen, 17 maart 1873
Ik hoop het hem goed zal gaan, 7 augustus 1873
Ik ben blij het jelui zoo goed gaat, 16 oktober 1873
Ik geloof hij een beste kerel is, januari 1873
Ik ben blij je in Amsterdam geweest bent, 20 februari 1874
Ik denk wel gij het goed zult vinden ik meteen er op doorging om iets vasts te bewerken, 18 december 1883 (in deze zin zelfs twee keer een ontbrekend dat)

Maar ook in zinnen met een andere inleiding wordt dat weggelaten:
’t Is een jaar geleden ik ziek werd, 23 december 1889
het is maar goed ik niet in Parijs ben gebleven, idem

Leuk onderwerp voor een volgend stukje, dacht ik dus. Ik was al volop bezig met verzamelen, toen ik bij ’t uitbreiden van m’n horizon dit artikel van Joop van der Horst tegenkwam: ‘Is weglating van het voegwoord dat typisch voor 19de-eeuwse vrouwen?’ ’t Is uit 1990. ’t Antwoord op zijn vraag kon ik met mijn hand op Van Gogh al geven, maar wat verder in dat artikel stond, maaide alle gras voor m’n voeten weg. Daar gaat mijn stukje, dacht ik.

Want ’t is niet niks wat Van der Horst gevonden heeft. Dat de constructie al in ’t Middelnederlands voorkomt, dat je ’m in de erop volgende eeuwen ook aantreft, zij ’t spaarzaam, en dat ’t gebruik in de 19e eeuw sterk toeneemt. ’t Idee dat ’t vooral vrouwen zijn die ’t deden, blijkt, ook volgens Van der Horst, geen stand te houden. Verder is ’t een verschijnsel van de schrijftaal, maar wel zijn ’t in meerderheid ‘minder geoefende schrijvers’ die dat weglaten, als hoedanig ik Van Gogh trouwens niet zou willen kwalificeren.

Hiermee was alles wel gezegd, dacht ik, totdat ik las: “Voor zover mij bekend komt ze [de constructie zonder dat] tegenwoordig niet meer voor”, wat Van der Horst later nog eens herhaalt: “In de tweede helft van de 20e eeuw verdween de dat-loze constructie”. Voorgoed, lijkt dat te suggereren. Maar dat is toch anders gelopen. In de jaren vanaf 2000 is een opvallende ontwikkeling te zien en daar wil ik nog wel wat over te zeggen.

In de 21e eeuw zijn de dat-loze constructies namelijk volop aanwezig en dat in toenemende mate. Met wat vernuft zijn ze ook goed te vinden. Bedenk wel, ik moest zoeken naar iets wat er niet is! Hoe doe je dat? Ik besloot uit te gaan van de frases die bij Van Gogh veel voorkomen: ik hoop.., ik ben blij.., ik denk.., en dergelijke.

Dit zijn de resultaten van Google, waarin ik, net als bij de overige resultaten, het weggelaten dat weergeef met ø.
Vóór 2000: geen gevallen
Oudste voorbeeld: ik ben blij ø ik op de pinto ben, 24 februari 2002.
Daarna t/m februari 2016 101 gevallen van:
Ik denk ø ..
Ik dacht ø ..
Ik ben blij ø ..
Ik geloof ø ..
Ik wou ø

Bij Delpher vond ik deze zinnen uit de tweede helft van de 20e eeuw:
Ik dacht ø hij allang dood was, 1952
We zijn blij ø we geen les meer hebben, 1966
Ik dacht ø hij je dochter gekrabd had, 1983
Ik dacht ø hij ziek was, 1987
Ik dacht ø hij mijn droomprins was, 1994
Helemaal afwezig is de constructie in deze periode dus niet. Gegevens uit de 21e eeuw heeft Delpher op dit moment nog niet.

Dan de krantenbank LexisNexis, die de complete tekst van alle Nederlandstalige dag- en weekbladen vanaf de jaren 1990 bevat. ’t Oudste citaat daar is uit 1992: Ik denk ø hij gelijk heeft als men de invloed van de kerken in Nederland bestudeert. Vóór 2000 zijn er dan nog zeven gevallen. Vanaf dat jaar tot nu toe heb ik er 63 geteld.

De meeste LexisNexis-citaten zijn van sportjournalisten en het betreft dan vaak aangehaalde woorden van spelers en trainers:
“Ik denk ø hij zijn comeback nu echt heeft aangekondigd”, 2012
“Ik denk ø hij het nu al waarmaakt door gewoon te zijn wie hij is”, 2013
“Ik denk ø hij hier snel een hecht team van zal weten te smeden”, 2013
“Ik denk ø hij in een man-tot-man-gevecht de snelste is”, 2014
“Man, ik ben blij ø ik even met jullie kan praten”, 2014
“Ik ben blij ø ik toch belangrijk kon zijn”, 2014

Opvallend frequent is in de moderne krant de ø-zin die met ik dacht begint:
Ik dacht ø hij boos was, 2012
Ik dacht ø hij in Duitsland was, 2013
Ik dacht ø hij misschien bijkluste, 2013
Ik dacht ø hij zichzelf zou redden, 2015
Ik dacht ø hij heel arm was, 2015
Ik dacht ø ze zou schieten, 2016 (door de verleden tijd zou is dit een bijzin)

Minder frequent zijn die met een ander onderwerp als:
Hij dacht ø hij in mekaar geslagen zou worden’, 2012
Ze dacht ø ze zwanger was van één baby, 2012

Ook in ’t Corpus Gesproken Nederlands heb ik enkele (4) ø-zinnen gevonden:
Ik denk ø we veilig kunnen zeggen dat meer onderzoek gewenst is.
ik denk ø ’t toch een soort evenwichtsstoornis is.

Mijn verzameling is zeker niet volledig, maar omvat, schat ik, toch wel 90% van de ø-zinnen uit drie data-verzamelingen, Delpher, Google en LexisNexis. Ik veroorloof me daarom de volgende constateringen.

De nieuwe zinnen-zonder-dat zijn geen voortzetting van die uit de eerste fase.  Er is een tussenfase, van ongeveer 1950 tot ca 2000, waarin de ø-zin sporadisch voorkomt. Na 2000 neemt ’t gebruik ervan ‘explosief’ toe.

Het verschijnsel doet zich voor bij alle (?) verba dicendi en sentiendi. Verreweg de meeste bijzinnen zijn objectszinnen. Na ik ben blij volgt een oorzakelijk voorwerpszin. Bij Van Gogh kom je ook subjectszinnen tegen. Die zullen er ook in de corpora wel zijn. Gericht zoeken is vrijwel onmogelijk. Daarom daarvan maar één voorbeeld: Tis al langer dan een jaar geleden ø we in de Revue hebben gespeeld. Google 2015.

Was de zin zonder dat tot circa 1950 alleen in de schrijftaal aanwezig (voor zover we weten), tegenwoordig hoort ie juist specifiek tot de spreektaal of de informele schrijftaal van Google. En dat is meestal ook spreektaal, bijvoorbeeld als in dit geval: “Ik denk ø hij foto’s maakt voor de krant”, antwoordde ik (was in 2001 gezegd en geschreven door Ewoud Sanders). Belangrijk is wel dat de citaten gevonden zijn via frasen als ik denk, die meestal spreektaal genereren.

Anders dan in de 19e eeuw blijkt het weglaten van dat onderdeel te zijn van een algemenere tendens. Je kunt nu ook zinnen vinden waarbij of weggelaten is:
Google:
Ik vroeg ø hij me wilde helpen om de plug er eventjes uit te halen
, 2010
Ze vroeg ø wij meegingen naar een café hier op de markt, 2010
Hij vroeg ø ik hem wilde starten, 2010
Toen ik vroeg ø hij hierbij kwam, vertelde de man mij het volgende, 2013
Als ik vroeg ø hij vreemd ging, zei hij van niet, 2014

Van der Horst heeft in 1990 ook een verklaring voorgesteld voor de bijzinnen zonder dat. Na de Middelnederlandse periode waarin voegwoorden vaak gecombineerd werden met dat (doe dat, want dat, wat dat, enz. ), verdween dat daar als ongewenst. Dat had tot gevolg dat onzekere schrijvers dat ook weglieten waar het ‘al bijna verplicht geworden is’: hypercorrectie dus.

Hypercorrect kun je ’t weglaten van dat tegenwoordig natuurlijk niet meer noemen. Vraag is wat dan wel de oorzaak is van deze (nieuwe) ontwikkeling. Je kunt ø beschouwen als een een lege complementeerder, zoals die voorkomt in ’t Engels: He asked ø she said yes, I knew ø you knew ø he knew. Die laatste frase is ook de titel van een artikel van Jaap de Rooy uit 1965 (Taal en Tongval). De Rooy doet daarin verslag van een onderzoek naar ’t gebruik van zinnen zonder dat in de Nederlandse dialecten.

Bij hem gaat ’t om objectszinnen met hoofdzinsvolgorde: de meid zei hij had gelijk; de brouwer zegt het is te duur…. .  Maar terwijl in ’t Engels daar een voegwoord wel mogelijk is, I knew that you knew him, het betreft daar bijzinnen, is dat in ’t Nederlands onmogelijk of, voorzichtiger gezegd, ongebruikelijk: *de meid zei dat hij had gelijk. 

Ook de hierboven genoemde werkwoorden kunnen zonder voegwoord gevolgd word door een bijzin in hoofdzinsvolgorde:
Ik denk hij heeft gelijk; ik geloof ze heeft gelijk  (Google)
Maar ik hoop hij zal wel wat soetter worden (scheepsbrief uit 1777)
Ik meen hij is accountant of zo iets  (uit Awater, Nijhoff)

Maar ook in deze zinnen kun je geen voegwoord dat invoegen, vanwege die hoofdzinsvolgorde. Ik heb in de corpora geen zinnen aangetroffen als *Ik geloof dat ze heeft gelijk; *de meid zei dat hij had gelijk. Ik kan ze zelf ook niet zeggen. Dus is daar ook geen lege complementeerder aanwezig.

Over de echte zinnen-zonder-dat zegt  Reichling (Het woord 1935, 280): “Dat ‘woord’ [dat] is volstrekt niet noodzakelik om de betrekking te ‘denken’. [….]. Ook wíj kunnen zeggen: Ik geloof, dat-ie komt en: Ik geloof, hij komt. Maar in het eerste geval hebben we de afhankelikheid van het tweede zinslid ten opzichte van Ik geloof, uitdrukkelik verwoord, in het tweede geval niet.”  Voor de duidelijkheid, Reichling bedoelt met zijn tweede voorbeeld natuurlijk ook een bijzin, al kun je dat niet zien.

Tegenwoordig zeggen we dat in zinnen als ik geloof dat ze gelijk heeft en Ik vroeg of hij me wilde helpen de complementeerder dat resp. of aanwezig is. Is ie afwezig dan zou je kunnen spreken van een lege conplementeerder. Waarom die complementeerder tegenwoordig weggelaten kan worden en, zoals we gezien hebben ook steeds vaker weggelaten wordt, blijft nog de vraag.

Misschien leiden de volgende constateringen naar een antwoord. In mijn West-Brabants komen zinnen voor met de complementeerder at. Dat at verschijnt in verschillende gedaantes en verschijnt soms ook niet.
Ik denk ad Annie thuis is
Ik denk a Willem thuis is
Ik denk Willem thuis is

In bepaalde gevallen is alleen ’t assimilerende effect zichtbaar, een nagelaten spoor:
Ik wou fader meeging, waar de v van vader f geworden is door assimilatie aan de t van at, dat zelf onwaarneembaar blijft. Aan die f hoort de luisteraar dat er een bijzin volgt. Is er geen at dan blijft die v een vIk wou vaders verrassen.

In de Reeks Nederlandse Dialectatlassen, deel Noord-Brabant, vond ik deze zinnen:
Ik wou ’t (h)ondje een brief aar (aar is ‘had’)
Ik wou te post een brief brocht   (lidwoord te uit: at + deatte  > te)

Misschien moeten we gewoon maar constateren dat die complementeerder weggelaten kan worden omdat je aan de zinsvolgorde al ziet dat ’t een bijzin is en door het voorafgaande werkwoord zelfs ook wat voor een bijzin ’t is:
Ik vroeg hij met ons meeging
Ik twijfel hij nog komt
Ik verwacht hij nog komt
Ik denk ik kom morgen

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit”