Hé natuur!

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (59)
Het Nederlandse sonnet bestaat 451 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?


Door Marc van Oostendorp

Op het Canarisch eiland La Gomera kunnen ze hun zinnen fluiten: ze hebben een manier gevonden om klinkers en medeklinkers om te zetten in fluitbare signalen, zodat herders bijvoorbeeld over grote afstand kunnen praten. 
Van belang is daarbij dat ze wanneer ze beginnen te fluiten eerst hun gesprekspartner aan te spreken: ‘A Maria’, ‘A Ricardo’, enzovoort. Vooral die A is van belang: daardoor weet de lezer wat de basistoon is waarop gefloten wordt. Alleen zo kun je de volgende uitspraak zo interpreteren. 
Misschien is ook in gesproken taal A, of in het Nederlands o  (‘”O knaap,” sprak de regter, en deed zich geweld’) wel ontstaan. Voor je iemand aanspreekt zeg je kort iets betekenisloos, zodat die ander alvast aan je stem kan wennen, je toonhoogte, je klankkleur.

Alleen, als dat de verklaring is, waarom doen we dat dan eigenlijk niet meer? Niet meer zoals in de achttiende eeuw Juliana Cornelia de Lannoy het nog wel deed:


De wonderbaare daad

Met recht, ô Herkules! roemt elk uw groote daaden:
Wat schrikdier heeft uw wieg ooit strafloos aangerand?
Moest Lerna’s wreed gedrocht niet vallen door uw hand?
Hebt gij Cerbeer’ niet zelv’ met ketenen belaaden?

En gij, Hebreeuwsche Held, door Delila verraaden,
Wie was u ooit gelijk, die Leeuwen overmant?
Die op een’ steilen berg de Poort van Gaza plant,
En Tempels nederschudt gelijk verdorde bladen?

Maar wijk, ô Simson, wijk: gij ook, Alcmena’s Zoon:
Een Vrouw, een teedre Maagd, stelt eedler kracht ten toon,
Waar toe hebt ge, ô Natuur, mijn zwakke Sex verkoozen?

Hoor Neêrland! hoor een daad, die nimmer volk vernam!
De wakkre Fortia, de glorie van haar stam….
Maar zacht, zij mint geen’ lof, ik wil haar niet doen bloozen.

Er klinkt natuurlijk een ironische ondertoon in dit gedicht: van mannen als Herkules en Samson worden de heldendaden op heroïsche wijze bezongen en daarom worden ze aangesproken met ô. Vrouwen zoals Fortia die eigenlijk – de naam zegt het al – misschien wel veel sterker zijn worden niet zo aangesproken.

Ô is dus voor De Lannoy al iets ouderwets, iets vreselijk literairs, iets van grootse heldendichten over mannen en iets veel minders over het dagelijks leven van vrouwen die je niet eens mág loven omdat ze dan gaan blozen.

Het zou interessant zijn om eens een geschiedenis van dat ô te lezen. Het moet ooit bij ons net zo gewoon zijn als nu op La Gomera – of bijvoorbeeld in het zuiden van Italië, waar mensen elkaar ook nog aanspreken als a Mari’, a fra (broer). Wij hebben nu alleen nog hé, dat sommige mensen wel permanent zo gebruiken (hé Marc, wat ik nu gelezen heb), maar andere mensen ook helemaal niet en dat je dus nauwelijks een verplicht onderdeel van de Nederlandse grammatica kunt noemen.