Een nieuw examen Nederlands

Door Bas Jongenelen
Het schoolvak Nederlands staat de afgelopen tijd nogal in de belangstelling. Sommigen willen de canon eruit, anderen willen hem er absoluut in houden, weer anderen pleiten voor Nederlands als keuzevak en weer sommigen zien Nederlands als pure ondersteuning voor overige vakken. Heel erg concreet wordt het echter nergens, vandaar dat ik hier en nu (en op persoonlijke titel) een opzet geef voor de invulling van het VWO-examen Nederlands.

Het huidige VWO-examen gaat over leesvaardigheid: de leerlingen moeten een tekst samenvatten, vragen over alineaverbanden beantwoorden en argumentatie benoemen. Ik vind dit zeer nuttige vaardigheden die op het VWO (Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs) thuishoren, maar ik vind ze niet genoeg voor het Centraal Examen (CE). Het VWO is de hoogste vorm van het voortgezet onderwijs (VO), het CE dient dus het hoogste te toetsen. De hoogste vorm van een taal is de literatuur en binnen de literatuur is poëzie de hoogste vorm van literair taalgebruik. Vandaar dat ik vind dat het CE van de hoogste vorm van het VO de hoogste vorm van taal moet toetsen: poëzie.
Bij het CE Latijn staan ieder jaar een aantal teksten centraal. Welke teksten dat zijn, wordt ruim van tevoren bekend gemaakt. Vervolgens gaan de docenten Latijn met hun leerlingen aan de slag om deze teksten te lezen en te duiden. Iets soortgelijks lijkt me wenselijk bij het CE Nederlands op het VWO. Er worden zes dichtbundels gekozen waarover de leerlingen bevraagd gaan worden. Ieder jaar valt er één bundel af en komt er een andere bij. Als je zakt voor je examen, dan krijg je dus niet het jaar daarop een compleet andere set bundels voor je kiezen. Ook voor de docenten is er afwisseling, zij zullen zich niet snel vervelen.
Een voorbeeld van zo’n set dichtbundels is:
1.      Nicolaas Beets: Madelieven (1869)
2.     Willem Kloos: Verzen (1894)
3.     Paul van Ostaijen: Bezette stad (1921)
4.     Martinus Nijhoff: Vormen (1924)
5.     M. Vasalis: Parken en Woestijnen (1940)
6.     Rutger Kopland: Alles op de fiets (1970)
Het jaar erop zal Beets van de lijst verdwijnen om plaats te maken voor Hiëronymus van Alphens Kleine gedigten voor kinderen (1778). Ik geef hier slechts voorbeelden, zes andere bundels om mee te beginnen zijn natuurlijk ook mogelijk. Of misschien is zes iets te veel en zijn vijf bundels meer dan genoeg.

Voor leerlingen is het een bestudeerbare hoeveelheid. Zes niet al te dikke bundels, dat lijkt me toch niet echt een onneembare hobbel. Bovendien weten ze waar ze aan toe zijn, want het zijn deze bundels waaruit geput wordt. Leerlingen zullen op het examen niet ineens verrast worden met een gedicht van Marsman. Dat is een vooruitgang in vergelijking met het huidige CE, de teksten daarop zijn tevoren niet bekend gemaakt. De leerlingen weten niet wat de bron zal zijn (Elsevier? de Volkskrant? NRC?) en wie de auteur (Schnabel? Etty? Van Oostrom?) – een echt gedegen voorbereiding is niet mogelijk. Terwijl het toch je examen is! Daarnaast zal er een lijst met termen gemaakt moeten worden. Dat zal geen hemelbestormende lijst zijn, maar gewoon een lijst met gebruikelijke termen als jambe, tautologie, metafoor, omarmend rijm, et cetera.

Op het examen krijg je dan een paar gedichten met vragen. Dit zullen in de eerste plaats vragen zijn naar stijlfiguren, metrum en dat soort dingen, maar er zullen ook interpretatieve en meningsvragen gesteld worden. Of een vraag als: ‘In regel X van gedicht Y staat een tegenstelling, maar is deze tegenstelling een gewone antithese, een paradox of een oxymoron? Leg uit hoe je tot je keuze bent gekomen.’
Het correctiemodel is leidend, maar laat ruimte aan de docent. Het lezen, bespreken en duiden van poëzie is zeer persoonlijk, de docent heeft een behoorlijke vrijheid. Maar let op: een enumeratie is een enumeratie en geen pleonasme. En ‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten’ is een jambe en geen dactylus. Hoe een leerling een gedicht interpreteert is niet in een correctievoorschrift te vangen, de waardering van interpretatieve vragen is aan de docent. Uiteraard zal het CE ook onder de dwang van de tweede correctie vallen. De tweede corrector kijkt het werk globaal na en legt niet op iedere slak zout. Pas als hij fraude vermoedt, trekt hij aan de bel.
Door poëzie te toetsen in het CE laten we zien dat we de Nederlandse taal- en letterkunde serieus nemen. Het niveau van zo’n CE zal hoog zijn, maar niet te hoog. De leerling weet uit welke gedichten de keuze is gemaakt door de examenmakers en hij weet (vanwege de begrippenlijst) welke begrippen hij moet kennen. Het CE gaat dus deels om kennis, deels om vaardigheden (tekstbegrip) en deels om literaire competentie. Wat mij betreft denken we hier dit jaar over na, zodat we volgend jaar de leerlingen van 4VWO en hun docenten kunnen vertellen over welke dichtbundels hun CE gaat. Leesvaardigheid, samenvatten en argumentatie kunnen en zullen op schoolniveau getoetst worden.

Aan de slag, moedig voorwaarts en nimmer dralend!