Tot haer de vlam verslin’

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (50)
Het Nederlandse sonnet bestaat 450 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Laten we er geen doekjes om winden: sommige spraakklanken tellen nu eenmaal zwaarder dan andere. Een toonloze e, de sjwa, is een de sukkel onder de klinkers: zodra hij naast een krachtiger broeder komt te staan, delft hij het onderspit. En iedere broeder is een krachtiger, zodat de dichter d’aarde kan zeggen, of d’oorlog, of d’oen, als het zo uitkomt voor het ritme.
Onder de medeklinkers is die loserrol aan de d en de t toegemeten, zoals je bijvoorbeeld kunt aflezen aan dit sonnet van P.C. Hooft:

Doen ’t eerste mael verscheen, in mijner ooghen zin,
Die krujfde zijd’ waer af jck self mijn banden strengel,
En ’t dubbel starrelicht, waer om jck leg en hengel,
Gelijk de mug om toorts, tot haer de vlam verslin’,
En ’t hejligh aengezicht dat jck beschonken vin
Met errenst ende lagh van minnelijk gemengel,
Zagh jck vw’ schoonheit aen voor eenen enklen engel,
Mijn lieve licht; en steekt daer noch een engel in?
De zujvre goelijkheên der hemelhoofsche knaepen,
Zijn, naermen ons vermelt, alleen van geest geschaepen,
Men heeft ‘er aen hetgeen aenschouwt wordt, meerder niet.
Onzichbre geest, wiens gunst d’ onwaerdighe komt stoven,
(Wat sweemt der gotheit bet?) in v gespeurt wordt, boven
Een engelsche gedaent zoo klaer dat mensch ze ziet.


Een enkele keer geeft de schrijver in de spelling aan dat er een klank moet worden ingeslikt. Bij de sjwa gebeurt dat meestal met een apostrof (‘t, d’), en in dit geval doet Hooft dat ook twee keer voor een d of t: aan het begin (‘er) en aan het eind van een woord (verslin’). Eén keer wordt een d weggelaten binnen in een woord; dat wordt dan met een accent circonflex weergegeven (goelijkheên – overigens is natuurlijk ook de d van goed daar in zekere zin weggelaten).

Het zijn precies die klanken die we, nog steeds en ook als we geen sonnetten schrijven, makkelijk inslikken: Hij loop’ op straat, ongeloof’lijk. De reden waarom het precies deze klanken zijn, is waarschijnlijk dat het klanken zijn met een relatief lage informatiewaarde. Ze zijn heel gemakkelijk te maken. Een sjwa zeggen is een kwestie van je mond opendoen: de eenvoudigste klinker. Om een een d of t zeggen, hoef je alleen het puntje van je tong op te tillen: de eenvoudigste medeklinkers. Maar juist omdat ze zo makkelijk zijn kun je ze zonder veel gebrek aan informatie toevoegen (brommert, vollek) of weglaten. (Ik heb hierover meer geschreven in de Klankencylopedie: ə, t).

De eind-sjwa van de eerste persoon enkelvoud was voor Hooft kennelijk al verdwenen: hij schrijft ick leg in plaats van ick legge. 

En een keer neemt die uitgang zelfs ook de slot-d met zich mee: dat ick beschonken vin. Hooft von het kennelijk zelfs niet nodig om daar een apostrof voor te plaatsen, en gelijk had hij. Onze officiëe spelling sjokt al eeuwenlang achter deze feiten aan, maar feitelijk zeggen we natuurlijk allemaal al heel erg lang ik vin.