Me moeder en me pa in de 17e eeuw

Het meest irritante woord van het jaar 2015 is het woord me, volgens een onderzoek van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL). Het woord me kreeg 30% van de 25.000 stemmen. Het is niet het woord zelf dat mensen de kriebels bezorgt, maar het verkeerde gebruik ervan. Me is namelijk een persoonlijk voornaamwoord, maar het wordt soms als bezittelijk voornaamwoord gebruikt.

Me pa is niet thuis en memoeder is er nooit.
Aan dit ‘verkeerde’ gebruik van me in de spreektaal raken we langzamerhand gewend, maar de stemmers in het onderzoek van INL vinden het vooral ergerlijk dat ze het steeds meer in geschreven taal tegenkomen.
Wat opvalt als we kijken naar de schrijftaal waarin me als bezittelijk voornaamwoord voorkomt, is dat taalgebruikers me niet gebruikt in alle soorten geschreven teksten.
In een formele brief aan de overheid, de werkgever of in een officieel rapport zal je het niet zo snel tegenkomen.  Taalgebruikers voelen aan dat me als bezittelijk voornaamwoord alleen kan worden gebruikt in bepaalde contexten, afhankelijk van het medium en het publiek van de tekst. In WhatsApp-berichten bestemd voor vrienden en familie is het bijvoorbeeld veel gebruikelijker om meop deze manier te gebruiken. In dit soort contexten lijkt het gebruik van me zelfs bij te dragen aan de creatie van een intieme sociale kring.
Interessant genoeg is het gebruik van me als bezittelijk voornaamwoord geen nieuw fenomeen. In de 17e eeuw gebruiken sommige schrijvers het al, bijvoorbeeld Hooft en Huygens. Maar ook toen kon me zeker niet in alle contexten worden gebruikt. In formele brieven vinden we meniet in dit gebruik: dan kiezen de auteurs het nettere mijn/myn. Waar we het wel tegenkomen is in blijspelen en in kluchten. Dit zijn teksten waarin volksfiguren worden neergezet in alledaagse situaties en hier hoort een informeel, volks taalgebruik bij. Voorbeelden zijn het blijspel Warenar en de klucht Trijntje Cornelis.
Soo laetme vrienden t’avont by de jouwe vergaren                                (Warenar, 358-359)
Om het hylick te beschryven met ghemeen accoort                                           
‘Dus laat mijn bloedverwanten vanavond met de jouwe samenkomen
Om eensgezind de huwelijkse voorwaarden op te stellen ’
Maer, Nichje, dat je ’t weet, men slaepste die ick zaijde              (Trijntje Cornelis, 201-202)
Is ‘tbedde van me man, daer ick te nacht in laijde.
‘Maar nichtje, dat je het weet, die slaapplaats waarover ik vertelde
Dat is het bed van mijn man, waar ik ’s nachts in lig.’
Het verschijnsel me laat dus – zowel voor de 17eeeuw als onze huidige wereld – zien dat schrijvers kunnen variëren in hun taalgebruik, en dat die variatie samenhangt met het genre van de tekst, het publiek dat de schrijvers voor ogen hebben en de effecten die ze bij dat publiek beogen. Taalvariatie binnen auteurs is het gevolg van onzichtbare patronen en strategieën – en die zijn fascinerend onderzoeksmateriaal: wat maakt precies dat een auteur aanvoelt in een specifieke situatie wel of niet bepaalde varianten van zijn taalvermogen te kunnen benutten?
Aan de Universiteit Utrecht wordt momenteel een project opgestart om de taalvariatie binnen auteurs van het 17e-eeuws  Nederlands beter te begrijpen:  Language Dynamics in the Dutch Golden Age (onder leiding van Marjo van Koppen en Feike Dietz). In dit project worden zowel taalkundige als letterkundige analysemethoden gebruikt om een antwoord te vinden op de vraag waarom een specifieke variatiemogelijkheid in bepaalde situaties wordt gebruikt. Komt dit bijvoorbeeld door het genre of door de sociale achtergrond van het beoogde publiek?
Op het moment ben ik stagiaire in dit project en doe ik onderzoek naar variatie bij het gebruik van bijvoeglijk naamwoorden. Op de site van het project kun je meer informatie vinden over het project, mijn deelproject en over de vorderingen van het onderzoek:  http://languagedynamics.wp.hum.uu.nl/.